Techniek en nihilisme

Bespreking van Günther Anders: Die Antiquiertheit des Menschen, 2 delen, München (C.H. Beck) 2018 (oorspronkelijk 1956 en 1980).

 

Wij zijn niet meer zo geobsedeerd door de vrijheid als vorige generaties. Wanneer ik mijn leerlingen vraag wat in hun leven de hoogste waarde is, dan luidt het antwoord meestal geluk, en dat geluk wordt beleefd door het samenzijn met familie en vrienden. Wanneer ik dan vraag waaraan zij de voorkeur geven, aan de democratie of aan de dictatuur, dan luidt het antwoord aan de democratie omdat mensen dan mee kunnen beslissen. Moeilijker wordt het, wanneer ik vraag of je ook onder de dictatuur gelukkig kunt zijn. Nu wordt er veel nagedacht. Sommigen kunnen ook onder de dictatuur gelukkig zijn, geluk is immers een privé aangelegenheid. Anderen vinden van niet, en komen tot de slotsom dat vrijheid een hogere waarde is dan geluk.

Er zijn niet zo veel verschillen meer tussen de generaties en van een generatiekloof is al helemaal geen sprake meer, maar er is naar mijn mening toch wel één heel belangrijk verschil, en dat gaat over vrijheid. In mijn jeugd was ik vrij om te gaan en te staan waar ik wilde, ik hoefde alleen op tijd thuis te zijn en mocht niet met vreemde mensen mee. Tegenwoordig worden de kinderen voortdurend gecontroleerd met hun mobieltje, en kunnen ouders in real time in het leerlingvolgsysteem (Magister of SOM Today) zien of hun kinderen op school zijn en welke resultaten ze hebben gehaald. Dat betekent in mijn ogen een aanzienlijk verlies van vrijheid voor kinderen, maar als ik het mijn leerlingen vertel, dan kijken ze me met glazige ogen aan en weten ze niet waar ik het over heb.

Zo diep is de communicatietechnologie in ons leven binnen gedrongen dat wij er geen besef meer van hebben. Techniek en controle zijn zo vanzelfsprekend, dat het niet mogelijk is er een discussie over te voeren.

Wat mijn leerlingen met mij hebben (“Waar maakt die man zich druk over?”), dat heb ik met het boek van Günther Anders (“Is het echt zo erg?”). Is het werkelijk waar wat Anders beweert, dat de mens achterhaald is, zichzelf afschaft, en zijn vrijheid opgeeft ter wille van de techniek? Laten wij zijn denken in ogenschouw nemen en misschien nog wat meer naar onze tijd vertalen. Anders kende wel de telefoon maar niet het mobieltje. Waar Anders het over jazz heeft, heb ik het over trance en ambient, waar hij het over foto’s heeft, heb ik het over selfies. Maar steeds blijft staan dat hij in een vroegtijdig stadium onze tijd vooruit heeft gezien en ons daardoor veel te vertellen heeft.

Wie kent niet Becketts toneelstuk Wachten op Godot? In het eerste bedrijf wachten twee zwervers onder een ontbladerde boom op iemand die niet komt. Anders ziet het stuk als parabel over onze tijd. Er is geen handeling meer, er valt niets te vertellen, er is geen geschiedenis. Een leven zonder motor en motief. Men zou er een eind aan kunnen maken, maar de boom is waarschijnlijk te schamel om zich aan op te hangen. Eigenlijk geen wereld, maar een niet-wereld. Geen conflict, geen botsing, geen tragedie. Maar ondanks de zinloosheid, gewoon doorgaan. Wachten omdat ons niets anders te doen staat.

Maar nu komt het interessante aan Anders’ interpretatie van het stuk. Het stuk laat ons volgens hem geen nihilistische mensen zien, maar mensen die er niet toe in staat zijn nihilist te worden. Zij kunnen domweg niet overweg met de gedachte dat hun bestaan weleens zinloos zou kunnen zijn, zij moeten van zichzelf zin aan hun bestaan blijven verlenen door te blijven wachten op Godot. Dat Godot wel eens niet zou kunnen komen, dat komt niet bij hen op of wordt op de koop toe genomen.

In het wachten ziet Anders een reminiscentie aan de religie. Men gelooft aan God omdat hij niet komt. Meer dan dat: God bestaat omdat hij niet komt. De afwezigheid van God, dat is God zelf. De zwervers blijft niets anders over dan elkaar gezelschap te houden en elkaars tijdverdrijf te zijn. Tenslotte is menselijke warmte en nabijheid voor hen belangrijker dan de vraag naar zin of zinloosheid. Men is liever bij elkaar dan nihilist te worden. (I 239-257)

Hoe is de moderne mens in deze situatie verzeild geraakt? Anders geeft daarop een eenduidig antwoord: door de techniek. Mensen schamen zich tegenwoordig niet zo volmaakt te zijn als apparaten. Eigenlijk zouden wij zelf een computer willen zijn. Zo geruisloos, zo wit, zo snel en ongeremd. En soms lukt het ons ook zo te zijn, in de techno, in de house, in het ambient, of eenvoudig wanneer wij helemaal opgaan in  het appen of sms’en. Zoals gezegd, al die fenomenen bestonden nog niet toen Anders zijn boek schreef, maar men kan ze gemakkelijk uit zijn beschouwingen extrapoleren.

Mensen willen niet vrij zijn. Zij willen machine zijn. De mens vergeet zichzelf en zijn vrijheid wanneer hij opgaat in de flow van zijn werk of in de trance, in de technologische roes. En hij houdt van die roes omdat ze hem zijn onvolmaaktheid, gebrekkigheid en sterfelijkheid laten vergeten. Daarom werkt de geneeskunde onophoudelijk aan het terugdringen van het ouder worden van de mens en het zo lang mogelijk jong blijven. Want de mens in natuurlijke staat is niet meer dan grondstof. Willekeurig welk product is superieur aan de mens. Vandaar de betekenis van het design waarin de platoonse idee haar definitieve triomf viert. Het liefst zou de mens een serieproduct willen zijn dat bij zijn overlijden door een soortgelijk serieproduct kan worden vervangen. En misschien zal het klonen hem daartoe in staat stellen. Voorlopig blijft hem niets anders over dan zich bij zijn overlijden te schamen over zijn onvervangbaarheid. Vroeger waren mensen trots op hun onsterfelijke ziel en hun unieke karakter. Tegenwoordig betreuren zij het dat er geen reserveonderdelen voor hen zijn of meer nog; dat zij zelf geen reserveonderdeel zijn.

De enige wijze waarop mensen hun sterfelijkheid kunnen compenseren en doen alsof zij eigenlijk een seriematig karakter hebben is door zichzelf eindeloos te fotograferen, eindeloos selfies te maken zodat het nu al lijkt alsof zij eeuwig zullen voortleven in duplicaten van hen zelf zoals apparaten eindeloos seriematig worden geproduceerd en telkens nieuwe versies kennen. De beeldcultuur vindt volgens Anders haar oorsprong in deze schaamte die de mens voor zichzelf voelt omdat hij geen machine is. (I 35-113)

Wat Anders hier zegt lijkt misschien overdreven. Maar de filosofisch geschoolde lezer weet wel beter. Had niet al Foucault beweert dat de mens wordt uitgewist als het gelaat van zand aan het strand bij de zee? Hadden Deleuze & Guattari ons niet al geleerd dat het onbewuste geen theater is maar fabriek? Hadden Baudrillard en Virilio niet al soortgelijke opvattingen over de dood in het technische tijdperk naar voren gebracht? En had Jünger de mens-machinecommunicatie niet al betiteld als organische constructie? Bovendien beseft Anders als filosoof maar al te goed dat hij spreekt in een door Nietzsche en Heidegger geopende dimensie. Anders staat helemaal niet alleen in zijn denkbeelden en verkeert met deze schrijvers en filosofen in goed gezelschap. En hij staat ook niet alleen wanneer hij blijft pleiten voor vrijheid en zelfbeschikking en voor een onbevangen verstandhouding met de techniek.

Laten wij tot slot terugkomen op de vraag waarom wij geen nihilisten kunnen worden. Wat houdt ons tegen en waarom blijven wij maar zoeken naar zin? Anders preludeert op het thema dat wij werk als zinvol beschouwen en het verlies van werk als ongewenste confrontatie met ons zelf. Ook in zijn tijd waren er drop outs maar het fenomeen van bullshit jobs was nog onbekend. In onze tijd stappen nogal wat mensen uit een goede en goed betaalde banen omdat zij hun werk niet meer als zinvol ervaren en liever overstappen naar de wereld van het onderwijs of naar zorg en welzijn.

Terecht merkt Anders op dat dat niet wil zeggen dat men gelukkig is wanneer men zijn werk als zinvol ervaart. Geluk wil veeleer zeggen dat de vraag naar zin of zinloosheid niet meer opkomt. Gelukkige mensen zoeken niet naar zin. Al het spreken over zin maken of zin stichten is in de ogen van Anders alleen maar een symptoom. Men vecht niet zo zeer tegen zinloosheid als wel tegen het gevoel van zinloosheid. Dat gevoel is heel kwellend en er zijn heel wat therapieën voor, maar het gaat niet om het gevoel, het gaat om het daadwerkelijk ontbreken van zin zelf. Men kan honger alleen maar bestrijden door te eten, niet door iets tegen het hongergevoel te ondernemen, en daarom gelooft Anders dat lijden aan zinloosheid ongeneeslijk is. Meer nog: men moet lijden aan zinloosheid omdat dat in zijn ogen de waarheid is, en daarmee de bron van onze autonomie en vrijheid.

In de ogen van Anders is heel onze technologische cultuur niets anders dan een samenzwering tegen het nihilisme. Het enige waar wij volgens hem goed in zijn is onszelf verdoven. Wij verdoven ons in de arbeid, in de house, in onze gezelligheid en onze sociale contacten, in de opera (Wagner), in drugs, in spiritualiteit, in de belevenis van reizen en evenementen en ga zo maar verder. Anders roept ons op het lef te hebben ons tot het nihilisme te bekennen en te verkennen wat de waardenleegte voor ons betekent omdat hij in die leegte de bron van onze autonomie ziet. Om geen enkele prijs is hij bereid de vrijheid in te ruilen tegen de techniek. (II 404-436)

Nou, zult u zeggen – dat gaat wel wat ver. En het strookt ook helemaal niet met ons levensgevoel. Maar toch. Bedenk wel dat Anders zich op het standpunt stelt van de filosofie. Dat wil zeggen dat voor hem de waarheid (en niet het geluk) de hoogste waarde is. Met Nietzsche beseft hij maar al te goed dat God dood is en de waarheid best een illusie zou kunnen blijken te zijn waarvan wij hebben vergeten dat zij een illusie is. Maar dat neemt niet weg dat hij op de waarheid insisteert, en dat die waarheid de bron van de vrijheid is. Daarmee is Anders niet alleen maar een interessante cultuurcriticus of een steen des aanstoots, hij is vooral een vertegenwoordiger van de wijsbegeerte in onze tijd.