Schelling & Zizek

“Als er geen beslissing was geweest,

dan zou er alleen stomme eeuwigheid zijn

en God zonder openbaring.” (W 182) (1)

De dissonant

De filosoof Slavoj Zizek laat van zich horen. Hij geeft talrijke interviews, geeft overal en voor iedereen lezingen, verschijnt regelmatig op televisie, maakt dvd’s en filmpjes op YouTube enzovoort. Hij behoort tot de felste critici van het neoliberalisme en van het vertrouwen in de vrije markt, pleit voor meer aandacht voor de psychoanalyse in de variant van Lacan en geeft de terugkeer tot het communisme in overweging. Hij beseft heel goed dat hij daarbij pleit voor een verloren zaak, maar door zijn ongepolijste optredens en zijn verwijzingen naar gebeurtenissen die wij allemaal hebben meegemaakt en films die wij allemaal hebben gezien, overrompelt hij ons en zet hij ons aan het denken. Ook als je het niet met hem eens bent is het leuk naar zijn ontwapenende acts te kijken.

Minder bekend is dat deze populaire en gemakkelijk toegankelijke filosoof twee boeken heeft gewijd aan de veel moeilijker denker Schelling, veel heeft bijgedragen aan de verheldering van diens soms onbegaanbare werk, en hem beschouwt als de grondlegger van het moderne denken: “Het is nu duidelijk dat de gehele posthegeliaanse constellatie – van het Marxisme tot aan de existentialistische notie van de eindigheid als de ultieme horizon van het zijn, van het deconstructivistische ‘decentreren’ van de zelftegenwoordigheid van de logos tot aan het obscurantisme van New Age – zijn wortels heeft in het denken van de late Schelling.” (A 4) Zizek ziet Schelling niet alleen overal weer terug, hij vindt hem ook veel radicaler in zijn denken dan de meeste filosofen nu.

Met name het dissonante karakter van Schellings filosofie krijgt bij hem de aandacht, het volstrekt contingente karakter van het menselijk bestaan, en het inzicht dat alleen radicale beslissingen, hoe willekeurig ook, kunnen leiden tot een echte identiteit: “Schellings gehele wijsgerige revolutie ligt in zijn opvatting dat de handeling die iedere noodzaak voorafgaat en fundeert zelf radicaal contingent is – en om die reden niet kan worden gededuceerd en afgeleid, maar alleen maar met terugwerkende kracht kan worden verondersteld te hebben plaats gevonden. Dit impliceert een oorspronkelijke, radicale en onherleidbare vervreemding, een ontwrichting  van het oorspronkelijke evenwicht, een constitutief uit zijn voegen zijn’”. (A 41) Schelling maakt ons duidelijk dat wij alleen maar ons zelf kunnen zijn door zelf te beslissen wie wij zijn en dat die beslissing plaats vindt in een situatie van algehele vervreemding. Alles zou net zo goed heel anders kunnen zijn en dat geldt ook voor onszelf.

Het Woord

Die beslissing die bepaalt wie je bent en wat er is, is iets dat je zegt. Door jezelf en de dingen te benoemen wordt besloten wie je bent en wat de dingen zijn. Een dergelijke beslissing moet je nemen wil je een identiteit kunnen aannemen. Maar om ik te kunnen zeggen en je zelf te kunnen zijn moet je je ook van jezelf vervreemden. Jezelf representeren in de taal, jezelf vertegenwoordigen met woorden betekent ook afstand van jezelf nemen en jezelf in handen leggen van anderen. Jezelf openbaren is ook jezelf ter beschikking stellen. Maar het is het enige wat je kunt doen als je niet alleen maar in mogelijkheden wilt leven, maar vlees wilt worden in deze werkelijkheid. Alleen maar mogelijkheden, alleen maar ideeën, betekent uitdijen, en uitdijen betekent gezichtsloze expansie. Je moet kiezen voor wie je werkelijk bent, een focus hebben, op jezelf terug vallen, contraheren in één punt. Anders ben je niemand en alleen maar een wil die niets wil en die uitkijkt op een spiegelend meer zonder rimpels, zonder beweging.

Tussen expansie en contractie, tussen willoze spiegeling en concentratie op één punt speelt zich het drama van de openbaring, van de schepping en van de verandering af. En het gebeurt niet alleen in ons, het gebeurt ook en op de eerste plaats in het absolute, in God zelf:

‘Schellings fundamentele stelling is om het simpel te zeggen dat het ware begin niet aan het begin staat: er is iets dat aan het begin vooraf gaat – een draaiende beweging waarvan  de vicieuze cirkel wordt doorbroken in een handeling die lijkt op het doorhakken van de Gordiaanse knoop, door het eigenlijke Begin, dat is de primordiale handeling van de beslissing. Het begin van alle beginnen is natuurlijk het “In den beginne was het Woord” overeenkomstig het evangelie van Johannes: daarvoor was er niets, dat wil zeggen de leegte van de goddelijke eeuwigheid. Volgens Schelling is “eeuwigheid”echter niet een vormeloze massa – er gebeurt daarin een hele hoop dingen. Voorafgaand aan het Woord is er het chaotisch-psychotische universum van blinde driften, van hun kolkende beweging, van hun ongedifferentieerde pulseren, en het Begin vindt plaats op het ogenblik waarop het Woord wordt uitgesproken dat dit gesloten circuit van driften “onderdrukt” en terugwerpt in het eeuwige Verleden. Kortom, aan het begin staat een resolutie, een beslissing die door een onderscheid te maken tussen heden en verleden een einde maakt aan de voorafgaande ondragelijke spanning van de draaiende beweging van de driften.” (A 14-15)

De schepping

Voor de schepping werd God dus geteisterd door een immense draaikolk van impulsen en gedachten. Hij werd opgeslokt door het delirium van wat er allemaal mogelijk zou zijn en mogelijk zou blijven als hij geen keuze zou maken. Eerst was er het spiegelende meer van de willoze wil, van de rust van het helemaal niets, van de woestijn van alles wat onbenoembaar leek te blijven. Toen kwamen er de mogelijkheden, de impulsen, de gekte en het overweldigd worden door kansen die alleen maar virtueel zouden zijn gebleven indien God niet tot de schepping zou hebben besloten. Scheppen dat is de dingen aanwijzen en benoemen, onderscheid maken, jezelf vastleggen. De expansie een halt toeroepen door contractie. En dat besluit is helemaal vrij. God had ook iets anders kunnen beslissen. Maar hij heeft besloten tot de schepping. De mensen zijn allemaal stuk voor stuk en ieder voor zich de tijdgenoot geweest van Gods besluit. Wij zijn er allemaal bij geweest.  En daarom zijn wij vrij: “Vrijheid is voor Schelling het ogenblik van ‘eeuwigheid in de tijd’, het punt van een ongegrond besluit waardoor een vrij schepsel (de mens) de keten van redenen in de tijd doorbreekt en opschort, en als het ware direct in verbinding staat met de Ungrund van het absolute.” (A 30)

Schepping komt voort uit het ongegronde, verandering is een besluit zonder reden, identiteit is gefundeerd op een dissonant, vrijheid is een afgrond. Door te communiceren vervreemd ik mij van mijzelf want ik geef mijzelf een plaats buiten mijzelf. De taal maakt mij tot een beeld met behulp waarvan ik mijzelf openbaar. Door mijzelf te representeren stel ik mij in handen van anderen en word ik deelgenoot van een symbolische orde.

In zekere zin is de mens nog vrijer dan God want God kent alleen maar het goede en kan alleen maar het goede doen terwijl onze vrijheid met zich meeneemt dat wij zowel voor het goede als voor het kwaad kunnen kiezen. In de excentrische baan tussen expansie en contractie betekent het kwaad dat ik mijzelf op mijzelf terugtrek, mij op mijzelf verstijf en de natuur aan mij onderwerp. Zizek ziet heel goed hoe vaak dit gebeurt en wat dit voor de mens betekent: “Dit laadt natuurlijk de mens op met de last van een verschrikkelijke verantwoordelijkheid: het lot van het gehele universum – en ten slotte van God zelf, hangt af van zijn handelingen.” (R 67) Maar zo is het, en de ecologische toestand van de wereld levert het duidelijkste bewijs.

Wie kiest voor alleen maar expansie raakt zichzelf kwijt en valt samen met de kosmos zonder te kunnen handelen. Wie kiest voor alleen maar contractie valt samen met zichzelf, slokt alles op en verliest ten slotte de wereld die hij aan zichzelf heeft onderworpen. Het gaat om het juiste evenwicht in het volle besef van de verantwoordelijkheid voor het proces van de openbaring dat de geschiedenis wezenlijk is. Dat besef laat zich alleen maar ontwikkelen door te communiceren met de dissonante ongrond die ons bestaan wezenlijk is en die ongrond tot grondslag te nemen van de beslissingen die ons maken tot wie wij zijn. Logisch dat wij die beslissingen nadat ze zijn genomen alleen maar kunnen vergeten, want een dergelijk besluit is zoals Schelling zelf zegt “een soort wonder zoals wel vaker handelingen plaats vinden die nadat zij zijn gedaan, geen verstand kan bevatten.” (W 178).

Uitkijkend over een spiegelend meer

Na Zizeks introductie wil ik het parcours van Die Weltalter opnieuw aan de hand van Schellings tekst doorlopen. Schelling schrijft prachtig maar moeilijk Duits en het valt niet mee zijn gedachtegang te volgen. Zizek heeft ons daar goed geholpen. Ook vraag je je soms af of het wel allemaal klopt wat hij zegt en hoe je zou kunnen controleren of het waar is. Daar staat tegenover dat je op de vleugels van zijn speculatie dingen kunt zien en in je denken kunt meemaken die nergens anders te vinden zijn. Schelling kan je echt in vervoering brengen. Je moet je enorm inspannen maar je moeite wordt beloond, tenminste als je weet waar je naar op zoek bent. Waar moet je naar op zoek zijn, wil het zin hebben Schelling te lezen? Waarom is Schelling nog actueel en wat kan hij bijdragen aan onze discussies? Schelling is op de eerste plaats dé denker van de vrijheid. Wat vrijheid wezenlijk is en waarom er zonder vrijheid niet eens zijn zou zijn, dat kun je leren van Schelling. Behalve vrijheid kun je van Schelling leren wat natuur is, en wat de natuur van de mens verwacht. Het is de taak van de mens zichzelf als deel van de natuur te zien, voor de natuur te zorgen, en haar te bevrijden van menselijke uitbuiting en onderwerping. En ten derde is Schellings denken een theorie van schepping en verandering, van de manier waarop God geschiedenis is en het aan de mens is die geschiedenis te voltrekken en tot een goed einde te brengen. Het gaat kortom om een hoge en adembenemende inzet: begrijpen waarom de mens volledig vrij en absoluut verantwoordelijk is.

Het begint allemaal met het begin voor het begin, met God voor de schepping. In Die Weltalter speculeert Schelling over de schepping en neemt zijn denken een hoge vlucht. Schelling stelt het zich zo voor dat God voordat hij begon met de schepping uitkijkt over een spiegelend meer, waar werkelijk niets, maar dan ook helemaal niets gebeurt. Vanuit Nietzsche denkend zou je bijna zeggen dat het nihilisme niet zozeer komt door de dood van God als wel  de gemoedstoestand van God zelf is voor de schepping. Die gemoedstoestand is volledige onverschilligheid. Niets is onderscheiden van elkaar en er zijn nog geen krachten werkzaam. Het gaat hier om een hooggestemde kalmte en misschien het begin van een gedachte aan wat wellicht mogelijk zou kunnen zijn: “En zoals in de mens de wil die niets wil het hoogste is, zo is deze in God zelf dat, wat boven God gaat. Want onder God kunnen wij slechts het hoogste goede denken, dus een reeds bepaalde wil; in de wil echter die niets wil is noch het een noch het ander, noch goed noch kwaad, noch neiging noch afkeer, noch liefde noch toorn, en toch de kracht tot dit alles.” (W 134)

Het is een toestand tussen zijn en niet-zijn, er worden geen keuzes gemaakt, alles is in rust en wacht af:  “Het absolute kan zich uitspreken als zijnde en als zijn, en het kan zich niet uitspreken als beide; met andere woorden het kan beide zijn en het kan beide laten. Reeds dat is vrije wil, iets te kunnen zijn en het niet te kunnen zijn. Existentie is actieve vereniging van een bepaald zijnde met een bepaald zijn. Het hoogste kan bestaan en het kan ook niet bestaan. Iets dergelijks waaraan het vrij staat niet iets te zijn of niet te zijn, maar te existeren of niet te existeren, iets dergelijks kan slechts zelf en overeenkomstig zijn wezen wil zijn: want alleen aan de zuivere, loutere wil staat het vrij werkend te worden of onwerkzaam te blijven, dat wil zeggen niet te existeren. Alleen aan hem staat het vrij als het ware in het midden te staan tussen zijn en niet-zijn.”(W 131)

Zoals Schelling het ziet heeft God dus de keuze. Hij kan blijven uitzien over de wateren en doorgaan met zichzelf te spiegelen en niets te doen of hij kan besluiten dat er iets gebeurt. Of God kiest en wat hij kiest is volledig aan hem, het is zijn daad van ultieme vrijheid. Vanuit ons perspectief is zijn beslissing volstrekt willekeurig en onherleidbaar. De schepping zou zowel niet als wel kunnen plaats vinden: “Als er geen beslissing was geweest, dan zou er alleen stomme eeuwigheid zijn en God zonder openbaring.” (W 182)

Honger naar zijn

Het absolute is contingent maar in zijn contingentie neemt het het besluit het spel van de krachten aan te gaan en een einde te maken aan het spiegelende oppervlak van de lusteloosheid en in te gaan op zijn eigen honger naar zijn: “Denken wij het zijn zuiver als zodanig dan is het zelfloos, een volledige bezonkenheid in zichzelf; maar juist daardoor trekt het zijn tegendeel  aan en is het een voortdurende dorst naar wezen, een zucht zich zijnde of subject aan te trekken om met behulp daarvan uit de alleen maar potentietoestand over te gaan naar de werkende toestand. Denken wij het echter reeds als werkend zijn, als een zijn dat ook zelf weer is, dan is noodzakelijkerwijs een zijnde met hem dat tegen het zijn, het alleen maar in zich rusten, strijdt. Dus zijn de principes die wij in de tijd waarnemen de eigenlijke innerlijke principes van al het leven, en de tegenspraak is niet alleen mogelijk, maar ook noodzakelijk. Zonder tegenspraak zou er geen leven zijn, geen beweging, geen vooruitgang, een doodssluimer van alle krachten.” (W 123)

God ziet dus af van het hoogste, hij blijft niet staan bij de kalme contemplatie ook al is dat het hoogste voor zowel hemzelf als later voor de mens: “Wanneer echter het uitsprekende van de eeuwigheid de wil is die niets wil, dan is het niet dat hij niets zou hebben dat hij zou kunnen willen; integendeel, hij heeft het eeuwig gewilde van zichzelf, (zichzelf als subject en object, als het eigenlijke wezen), maar hij heeft het alsof hij het niet zou hebben en is alleen daarom de rustende, de onverschillige wil. – Zijn alsof men er niet is; hebben alsof men niet heeft; dat is in de mens, dat is in God het hoogste.” (W132) In de contemplatie ziet God dus niet alleen de rust maar ook wat er allemaal mogelijk is. Wat er allemaal mogelijk is, dat zijn in God de ideeën, en die ideeën zijn de intermediairs tussen God en de schepping.

God moet een beslissing nemen die richting geeft aan toekomstige mogelijkheden. Deze beslissing is zijn daad van ultieme vrijheid: “Een gewoon iemand die de ware vrijheid nooit heeft ervaren schijnt het overal het hoogste toe een zijnde of subject te zijn; daarom vraagt hij wanneer hij hoort dat het uitsprekende van de godheid noch zijnde noch zijn is wat dan nog kan worden gedacht als boven alle zijn en zijnde verheven, en antwoordt dan: het niets of iets dergelijks. Ja, het is inderdaad een niets maar zoals de loutere vrijheid een niets is; zoals de wil die niets wil, die geen ding begeert, waarvoor alle dingen gelijk zijn en die daarom door niets wordt bewogen. Een dergelijke wil is niets en is alles. Hij is niets voor zover hij noch begeert te werken noch naar enige werkelijkheid verlangt. Hij is alles omdat toch van hem als van de eeuwige vrijheid alleen alle kracht komt, omdat hij alle dingen onder zich heeft, alles beheerst en door niets wordt beheerst.” (W 133) De vrijheid is een niets omdat zij niet weet waarnaar zij zich moet richten of waaraan zij zich moet houden. De vrijheid is zonder fundament en ongegrond. Zij wordt gearticuleerd als besluit en neemt concreet gestalte aan als beslissing.

De afgrond van de vrijheid

Het absolute is zelf vrijheid en telkens wanneer wij een besluit nemen hebben wij deel aan het absolute. Zonder te beslissen, zonder ons te laten dragen door de afgrond van de vrijheid komen wij niet tot wie wij zijn, geven wij geen uiting aan ons zelf en komt God niet tot openbaring:  “Zonder  weten van de eeuwigheid produceert zich door zichzelf de wil die de eerste, verre aanvang tot de openbaring is, en zonder erbij na te denken, gedreven door een duister vermoeden en verlangen, stelt de wil zichzelf als ontkend, als niet-zijnde het zijnde. Maar hij ontkent zich alleen maar om aan het wezen te komen en is dus onmiddellijk door dit ontkennen een eeuwig zoeken naar en begeren van het wezen, en stelt juist door dit begeren het wezen als iets dat onafhankelijk van hem in zich zijnde, als het eeuwige goede zelf, waaraan alleen het toekomt het zijn in zichzelf te hebben.” (W 143) Er is dus een hang tot bestaan te komen en er zijn krachten aan het werk die dat proberen te verhinderen.

Maar is openbaring wel mogelijk zonder tegenwerking, is er vrijheid zonder tegenspraak,  is een besluit wel mogelijk zonder weerstand? Die weerstand zit in God zelf. Ook God kan geen subject worden als er geen object is dat weerstand aan hem biedt. Die weerstand, dat is de natuur. De natuur stelt zich passief op, is lijdzaam en vervult de taak datgene te zijn waarop de openbaring stuit en waaraan de openbaring zich kond doet. Op haar beurt verlangt de natuur ernaar deze rol niet te hoeven blijven spelen en ooit verlost te worden: “Daardoor dat de natuur naar deze eeuwige geest verlangt en het objectieve van de eeuwigheid aan zich trekt als haar onmiddellijke subject, daardoor maakt zij vooreerst in de eeuwigheid een scheiding, dat het eeuwige zijn voor het eeuwige zijnde werkelijk tot object wordt, maar niet dat zij de indifferentie zou opheffen want in zich of afgezien van de aantrekkende natuur is de eeuwigheid nog altijd dezelfde onverschilligheid ten opzichte van subject en object, en moet dat ook altijd blijven omdat anders de natuur zelf achteruit zou gaan. Doordat dus de natuur die zuiverste geest, het objectieve van de eeuwigheid naar zich toe trekt, nemen alle krachten met betrekking tot de geest als hun hogere, hun eigenlijk subject passieve eigenschappen aan en verzinken en worden tot materie daarvoor.” (W148)

Schellings materialisme

Schelling geldt als één van de voornaamste denkers van het Duitse idealisme, maar men zou hem net zo goed een materialist kunnen noemen, want overal neemt hij het op voor de natuur en het lichaam, en overal pleit hij voor een vergeestelijking van de materie, zonder welke wij onze taak niet kunnen uitvoeren: “Wat zou dat overigens zijn dat de meeste mensen zo beledigt aan de materie? Ten slotte is het toch alleen de deemoed van de materie die hen tegen staat. Maar juist deze gelatenheid bewijst dat er nog iets van dat oorspronkelijke wezen in haar zit, die kiem en eerste oerstof van het bestaan dat naar buiten toe lijdzaam, hoewel pure geestelijkheid is.” (W 150) Dit soort uitspraken van Schelling is volstrekt uniek en maakt hem naar mijn mening tot aartsvader van het ecologische denken. Schellings denken geeft diepgang aan duurzaamheid en rentmeesterschap omdat het ziet dat het heil van de natuur komt en de natuur op haar beurt vraagt door ons gered te worden. Natuur is voor Schelling “die innerlijke, geestelijke materie die nog altijd in alle dingen van deze wereld ligt verborgen en alleen nog op haar bevrijding wacht.”(W 152) Hier bespeurt men hoe hoog de verwachtingen ten aanzien van de mens gespannen zijn en wat Schelling onder verantwoordelijkheid verstaat.
De rol van het kwaad

Dat neemt niet weg dat de mens ervoor moet kiezen. Anders dan God die alleen maar voor het goede kan kiezen, heeft de mens de keuze tussen goed en kwaad. Het kwaad is volgens Schelling je op jezelf verstijven, kiezen voor jezelf ten koste van anderen. Het kwaad is contractie. Het goede is de liefde, is je bekommeren om anderen, hen opnemen in je eigen ontwikkeling. Het goede is expansie. De strijd tussen contractie en expansie is ook in God aan het werk, maar het is niet zo dat het kwaad zijn wortels heeft in God:  “Alles wat ten opzichte van God vrij is moet uit een van hem onafhankelijke grond komen en hoewel het ook oorspronkelijk en in engere zin in God is dan moet het toch uit iets komen (iets tot grondslag, tot onderscheidends hebben) dat in God zelf niet hij zelf is. Dus veronderstelt het bestaan van de geestenwereld iets dat in eeuwigheid in of bij God is zonder toch zelf God te zijn.’(W 157) Het kwaad komt uit iets anders dan God in God en is iets typisch menselijks. Zonder deze menselijke mogelijkheid tot het kwaad zou de mens niet vrij zijn en zonder menselijke vrijheid zou God zich niet kunnen openbaren in en als geschiedenis. Het kwaad vervult dus een noodzakelijke rol zoals in Goethes Faust, één van Schellings lievelingsstukken.

De contractie, de wil tot eigenheid speelt een fundamentele rol in de openbaring, want “vanuit zichzelf komt de liefde niet tot zijn.” (W 172) Er moet iets zijn dat weerstand biedt aan de expansie want anders wordt zij grenzeloos en mist zij haar doel. Omgekeerd geldt: “Zou alleen de kracht van de eigenheid bestaan, dan zou er niets anders zijn dan het eeuwig dichte en zich afsluitende.” (W173) Met alleen contractie, de egoïstische samentrekking op één punt van eigenbelang zou er alleen maar sprake zijn van dodelijke samentrekking. Wanneer de liefde zich er niet tegen te weer zou stellen zou er geen spel van de krachten zijn, geen vrijheid en geen keuze tussen goed en kwaad. Inzet van de geschiedenis, van iedere menselijke inspanning is de weerstand als grondslag te gebruiken, het egoïsme als uitgangspunt te zien, er niet bij te blijven staan, maar het te onderwerpen en de kracht ervan te gebruiken om in liefde de schepping te voltooien.

De kracht van de contractie probeert zich tegen de openbaring te verzetten en moet daarom aan de openbaring ten grondslag worden gelegd: “Juist de wil die geen openbaring wilde moest aan het begin worden gesteld.” (W 181) Dat moet met zachte hand gebeuren zodat de liefde triomfeert zonder weerstad te vernietigen: “Wanneer slechts de oude, naar het schijnt niet onderdrukbare tegenstelling plaats vindt tussen een ontkennende, aan zich houdende, en een bevestigende, uitbreidende wil, dan kan toch de ene niet door de andere worden onderworpen, hij kan alleen zacht worden overreed en in goedheid worden overwonnen zodat hij toegeeft aan de liefde.”(W 176)

De beslissing

De vrijheid zich te openbaren is een beslissing die identiteitsstichtend werkt. Dat geldt niet alleen voor God, maar ook voor mensen. Ik vind deze Entscheidung daarom zo fascinerend omdat zij met zich meebrengt dat je door een beslissing te nemen telkens opnieuw deel kunt nemen aan het begin van de schepping. Je kunt steeds opnieuw beginnen door een besluit te nemen. Dat heeft iets heel fris. Maar zoals alle belangrijke beslissingen wordt die beslissing zodra ze is genomen meteen weer vergeten, en alleen de filosoof is er toe in staat daaraan te herinneren: “In een oogwenk werd doorzien dat wilde het leven niet verloren gaan de simultaniteit van de uitsprekende krachten moest worden opgeheven; en precies in dit ondeelbare ogenblik gaf de liefde voorrang aan de eerste van de openstaande willen; en even snel werd doorzien dat wilde één van beide willen voorrang hebben en de eerste zijn, juist die aan het begin moest worden gesteld, die geen begin wilde en die zojuist was overwonnen; want zonder overwinning geen aanvang,  juist dit overwonnen worden van de ontkennende wil en zijn als eerste gaan is één; en dit alles was vervat in één en dezelfde ondeelbare daad, tegelijk de vrijwilligste en de noodzakelijkste, door een soort wonder zoals wel vaker handelingen plaats vinden die nadat zij zijn gebeurd geen verstand kan bevatten.” (W 178)

Noten

1.

Schelling: Die Weltalter (Druck II – 1813), in Schelling: Die Weltalter in den Urfassungen von 1811 und 1813, bezorgd door Manfred Schröter, München 1966, 109-184. ( W )

Slavoj Zizek: The indivisible Remainder. On Schelling and Related Matters, Londen & New York 2007 (oorspronkelijk 1996). (R)

Slavoj Zizek: The Abyss of Freedom / Ages of the World, Ann Arbor 1997 (Inleiding bij de Engelse vertaling door Judith Norman). (A)

Uit de secundaire literatuur specifiek over Die Weltalter noem ik verder:

Wolfram Hogrebe: Prädikation und Genesis. Metaphysik als Fundamentalheuristik im Ausgang von Schellings Die Weltalter, Frankfurt a.M. 1989.

Advertenties