Schelling: Clara

Friedrich Wilhelm Joseph Schelling

Clara of over de samenhang tussen de natuur en de wereld van de geesten

Enkele hoogtepunten in Nederlandse vertaling

 

Woord vooraf door de vertaler

Schelling schreef Clara onder de indruk van de dood van zijn vrouw Caroline. Caroline stierf in 1809. Schelling heeft sindsdien enkele jaren aan Clara gewerkt. Het geschrift is een trialoog. Aan het woord komen Clara als draagster van de intellectuele aanschouwing en representant van de ziel, de dominee als vertegenwoordiger van God en de geest, en de arts als zegsman van de natuur en het lichaam. Filosofie is de vereniging van deze drie polen. In iedere filosoof zit een combinatie van een psycholoog, een theoloog en een arts. De dominee en de arts leggen aan Clara aard en werking van haar intellectuele aanschouwing uit in de hoop dat zij zichzelf beter zal leren begrijpen en in de verwachting haar zo weer terug het gewone leven in te praten. Het gesprek begint op Allerzielen. Clara rouwt om de dood van haar man Albert. Schelling heeft dit belangrijke geschrift dat algemeen wordt beschouwd als beste inleiding tot zijn filosofie, ten tijde van zijn leven zelf niet uitgegeven. Het gaat hier om een Nederlandse vertaling van enkele hoogtepunten uit dit geschrift die geschikt zijn voor een eerste kennismaking met zijn denken, waarin als enige in de geschiedenis van de westerse filosofie, de vrouw de hoofdrol speelt en in het middelpunt staat.

 

Allerzielen

Clara trok mij gelijk met haar ogen naar het open raam, en terwijl zij naar de blauwe bergen in de verte keek, kwamen tranen in haar ogen. Zij zei: daar achter de bergen waarover nu de zon onder gaat en die steeds blauwer worden, daar ligt mijn alles begraven. (I | 9, 15)

Het is opnieuw voor mij duidelijk geworden dat het leven dat wij nu leiden heel eenzijdig is. Het is pas voltooid wanneer dat hogere geestelijke zich daarmee kan verbinden, wanneer degenen, die wij gestorven noemen, niet ophouden met ons te leven, maar als het ware een ander deel van de grote familie vormen. Wij moeten alle feesten en gebruiken in ere houden waardoor wij worden herinnerd aan een samenhang met die andere wereld. (I | 9, 15-16)

U geeft toch zelf toe, zei Clara, dat tenminste in ons nog een ander dan alleen maar zintuiglijk wezen leeft, de geest. En u zult toch ook moeten toegeven dat wij daardoor werkelijk met die andere wereld in verbinding staan, en dat dat – ook al is het zintuiglijke van het geestelijke afgesneden – geen bewijs is tegen een mogelijke samenhang van het geestelijke in ons met de krachten van een andere wereld. (I | 9, 17)

Wij beelden ons ook in dit leven zo gemakkelijk in dat vrienden en levensgezellen van óns zijn, terwijl zij toch alleen van God zijn, vrije wezens aan niemand dienstbaar dan aan de ene. Wij bezitten hen alleen maar als geschenk; daaraan herinnert ons de dood, hoewel het ook wijs is in het leven erbij stil te staan dat eigenlijk niets van ons is. De gelofte van armoede, ontbering en vooral de gehoorzaamheid jegens een hogere verborgen wil, is een gelofte die iedereen zou moeten afleggen. En hoewel wij in het gebruik van alle goederen, in het bijzonder van de edelste zoals liefde en vriendschap, des te voorzichtiger moeten zijn wanneer wij ons er aan herinneren dat het wezen van de ziel die wij graag met alle krachten van onze geest en ons hart naar ons toe trekken om haar ons helemaal toe te eigenen, ja en wanneer het mogelijk zou zijn dat wij het liefst met ons bestaan zouden willen versmelten, dan moeten wij toch beseffen dat deze ziel slechts in Gods hand is, aan wie wij haar vroeger of later moeten overlaten. Er komt een ogenblik waarop de ziel niet meer van ons is, waarop zij weer aan het geheel toebehoort, terugkeert naar haar oorspronkelijke vrijheid, en als God het wil misschien weer met een nieuwe loop begint, die die van ons nooit meer opnieuw ontmoet en geheel andere doelen dient dan die zij hier vervulde terwijl zij tot ontwikkeling van ons innerlijk, tot veredeling van ons wezen bijdroeg. (I | 9, 18-19)

De hele aarde is één grote ruïne

Clara drong erop aan een weg in te slaan die door een soort nauw dal loopt tussen twee heuvels tot een punt waar slechts twee gescheiden voetpaden telkens naar een hoogvlakte leidden.

Toen we onderweg waren, zei ze: Hier in dit kleine vertrouwde dal voel ik me beter. De herfst heeft hier nog niet tekeer kunnen gaan. De warmte van de zon wordt hier langer vastgehouden en zou ons kunnen doen geloven dat het nog zomer is. Hier dringt nog geurende tijm door die het geheugen sterkt. Op deze weide beweegt nog de herfsttijloos heen en weer, en duidt door haar zwakke blauw de bleke kleur van de herinnering aan, waarin tenslotte alles zich verliest. Men zegt dat het een giftige plant is. Dat is overal het einde, en wat de natuur aan het begin had, moet zich wel aan het slot laten zien. Zij lijkt zelf een geheim verterend gif te bevatten. Maar waarom geeft zij het door aan haar kinderen zodat die er ook door worden verteerd?

Uw klacht lijkt mij niet terecht, antwoordde hierop de arts. De natuur leidt immers naar uw mening aan een verborgen gif, dat zij graag zou willen overwinnen of verdrijven, maar zij kan het niet. Rouwt zij niet samen met ons? Wij kunnen klagen maar zij lijdt stom en kan alleen maar door tekens en gebaren met ons spreken. Welke stille weemoed ligt in menige bloem in de morgendauw, in het verbleken van de kleur ’s-avonds. In enkele verschijningen laat zij zich zien als iets verschrikkelijks en altijd als iets voorbijgaands. Dan wordt alles weer normaal en in haar gewone leven verschijnt zij altijd als een terneergeslagen kracht die ons ontroert door de schoonheid die zij in deze toestand voortbrengt.

U heeft gelijk, zei Clara, ik weet bijvoorbeeld niet welk een zoet leed voor mij in de geur van sommige bloemen ligt. Maar ik ga ervan uit dat de geur wordt veroorzaakt door hetzelfde leed in de bloem.

Ook mij zei de dominee, lijkt het gehele wezen van de natuur te getuigen dat zij niet vrijwillig is onderworpen en ernaar verlangt van de vergankelijkheid te worden verlost. Juist dit, dat niets duurzaam is, deze innerlijke noodzaak waardoor tenslotte alles wordt verwoest, en die des te verschrikkelijker is hoe stiller zij zich voltrekt, juist dit is het beangstigende aan de natuur. Waar komt deze algemene en onophoudelijke macht van de dood vandaan? (I | 9, 29-30)

De arts: De hele aarde is één grote ruïne waarin dieren als spoken en mensen als geesten huizen en waarin veel verborgen krachten en schatten als door onzichtbare krachten en door de ban van een tovenaar worden vastgehouden. En deze verborgen krachten willen wij aanklagen in plaats van eraan te denken hen op de eerste plaats in ons zelf te bevrijden? Nu is de mens op zijn eigen wijze niet minder behekst en betoverd. Daarom zond de hemel van tijd tot tijd hogere wezens die door wondermooie gezangen en toverspreuken de ban in zijn innerlijk ophieven en hem weer lieten kijken naar de hogere wereld. De meeste mensen zijn echter helemaal door de uiterlijk aanblik bevangen en denken dat zij het daar zullen vinden. Zoals boeren rondom een oud verwoest of betoverd kasteel sluipen met hun wichelroedes in de hand, of in de onderaardse met puin bedekte voorraadkamers met hun lampjes naar binnen schijnen, ook wel hefbomen en breekijzers inzetten in de hoop goud of andere kostbaarheden te vinden, zo houdt de mens in de natuur en haar verborgen kamers huis en noemt dat natuurwetenschap. Maar de schatten zijn niet alleen door puin bedekt. De schatten zijn tot in de ruïnes en de stenen zelf door een ban behekst, die alleen een andere toverspreuk kan verbreken. (Daarin ligt een heel andere wereld begraven dan wij vermoeden. Odyssee van de geest.) (I | 9, 33-34)

Geen argumenten nodig

In ogenblikken als deze heeft mijn overtuiging geen argumenten nodig. Alles is voor mij aanwezig. Het is alsof ik al leef te midden van de geesten, alsof ik op aarde wandel maar als een heel ander wezen, gedragen door een zacht strelend element zonder behoefte, zonder smart – waarom kunnen wij deze ogenblikken niet vast houden?

Misschien, antwoordde de dominee, omdat deze graad van innerlijkheid niet verenigbaar is met de beperktheid van ons leven nu, dat daardoor wordt gekenmerkt dat alles uit elkaar streeft en slechts in brokstukken wordt gekend. En is het niet zo dat wanneer u in een dergelijke toestand verkeert uw gehele wezen als in een brandpunt verenigd, éen licht, éen vlam lijkt te zijn? (I | 9, 41-42)

Vergeestelijking

Maar, ging Clara verder, laten niet alle lichamelijke dingen het verlangen zien zich te vergeestelijken? Wat is de geur van een bloem? En hoe geestelijk moet het uitstromen van geurende lichamen zijn dat jaren voortduurt zonder op te houden? Wil niet alles lucht worden om met dat zuivere heilige element te worden verbonden, dat ik toch eerder voor een zelfstandig ondeelbaar wezen zou willen aanzien, waarvan de kracht alles wat zij opneemt, hoe verschillend het ook moge zijn, in korte tijd verandert en in zich opneemt.

Ook dit alles, zei de dominee, is zo en bewijst dat alle dingen naar een vrijer, ongebondener bestaan streven en tegen hun zin de boeien dragen waarin zij zijn geslagen. Maar wie zou toch alleen maar de verandering in lucht een sterven noemen? De dood lijkt mij toch iets veel ernstigers te zijn.

Wij organische wezens zijn er allemaal toe in staat te sterven, omdat wij telkens een eigen geheel zijn. De overige dingen zijn echter slechts schakels in een groter geheel van de aarde, en kunnen daarbinnen telkens op verschillende wijze gemengd en veranderd worden, al naar gelang de levensgang van de planeet dat met zich mee brengt. Maar de weldaad van het sterven of van de algehele bevrijding van de geestelijke gestalte van het leven maakt men niet eerder mee dan wanneer de planeet zijn gestelde doel heeft bereikt en sterft. (I | 9, 56-57)

God in de natuur het zijnde, de natuur van God het zijn

De dominee is aan het woord: Kunnen wij dus niet zeggen dat God in de natuur het zijnde, de natuur echter van God het zijn is? Daarmee is geenszins gezegd dat God en natuur identiek zijn. Wanneer nu God uit dit geringere deel van zijn wezen, uit dat, wat niet hijzelf is, ons verheft of schept, dan is ons aanvankelijke wezen iets dat naar zijn grond van God verschilt. Iets, dat zich ook juist daarom door zijn eigen activiteit kan verheffen om ofwel langs de weg van de geest tot het zijnde op te klimmen, ofwel daartegen in te gaan. Ongeveer zoals de bloem zich niet alleen door de prikkelende kracht van de zon, maar ook door haar eigen aandrift uit een van de zonneschijn onafhankelijke donkere bodem opricht en tenslotte zelf haar aangeboren duisternis tot het licht verheft, – maar toch een van het licht en de zon verschillend licht dat uit een andere wortel stamt, weliswaar met het licht verzoend, maar toch niet het licht zelf. Zodat wanneer wij na de dood verzonken in geestelijke gelukzaligheid en geheel en al doordrongen van de goddelijke tegenwoordigheid, wij niet – ook al zouden wij dat kunnen – daar uit weg willen gaan, hoewel iets in ons over blijft dat van God verschilt en dat zich weliswaar in rust bevindt maar toch eeuwig blijft bestaan als de eerste mogelijkheid ons ofwel van hem als het zijnde af te scheiden ofwel zelfstandig in hem te zijn. (I | 9, 75)

Alleen maar geestelijk leven is ons niet genoeg

Clara: Lichamelijkheid betekent niet onvolmaaktheid. Volledige volmaaktheid is wanneer het lichaam van de ziel is doordrongen. Alleen maar geestelijk leven is voor ons hart niet genoeg. Iets in ons verlangt naar wezenlijke realiteit. Onze gedachten komen alleen maar bij de laatste eenheid tot stilstand. Op het gescheiden leven moet wel het verenigde leven volgen. De laatste zielenrust is alleen te vinden in de volmaakte uiterlijkheid, en zoals de kunstenaar niet rust in de gedachte van zijn werk maar alleen in de lichamelijke verbeelding, en iedereen die warm loopt voor een ideaal het in een lichamelijk zichtbare gestalte wil vinden en openbaren. Het doel van elk verlangen is het volkomen lichamelijke als afglans en evenbeeld van het volkomen geestelijke. (178)

 

Verantwoording

De hoogtepunten uit Schellings Clara werden vertaald naar de uitgave van Schellings zoon. De paginering verwijst ook naar deze editie: Sämtliche Werke, bezorgd door K.F.A. Schelling, 14 delen (in twee afdelingen) bij uitgeverij Cotta, Stuttgart 1856-1861. Van Clara verscheen in 1862 een separate uitgave eveneens bij Cotta in Stuttgart. Het laatste vertaalde stuk staat alleen in deze editie.

De illustratie van Marcel Wesdorp: THE_LIGHT_IS_NOT_YET_THERE ‘AREA OR POINT -13.483/Min 953.482999/Max’, 2019, 52x80cm, Inkjet on Hahnemuhle photo rag mounted on aluminium.

© 2020 Vertaling: Eric Bolle

© 2020 Illustratie: Marcel Wesdorp

Dit document als pdf: Schelling: Clara