Rilke: Poëtologische fragmenten

Rainer Maria Rilke (1875-1926)

Poëtologische fragmenten

Samenstelling en vertaling: Eric Bolle


Over de dichter (1912)

Hij begon te zingen. Opeens, met onregelmatige tussenpauzes en zeker niet op momenten van uitputting. Integendeel. Het gebeurde vaak dat zijn lied weerklonk terwijl iedereen energie had of zelfs overmoedig was. Ik weet niet of het samenhing met de stemming van de roeiers die achter hem zaten. Hij keek zelden naar ze om en als hij het al deed leken zij hem onverschillig te laten. Wat wel invloed op hem leek te hebben was de zuivere beweging die in zijn gevoel samen kwam met de open verte waar hij zich – half vastbesloten, half melancholiek – aan overgaf. Hij bracht voortdurend de kracht van onze boot in evenwicht met de kracht van dat, wat ons tegemoet kwam. Af en toe was er overschot. Dan zong hij. De boot overwon de weerstand. De tovenaar echter veranderde wat niet kon worden overwonnen in een reeks lange zwevende tonen, die noch bij de éne noch bij de andere kracht hoorden en die ieder voor zich opeiste. Terwijl zijn omgeving zich steeds opnieuw inliet met wat grijpbaar en het dichtste bij was en het overwon, onderhield zijn stem de betrekking tot het verste, verbond ons daarmee tot het ons meetrok. Ik weet niet hoe het is gebeurd, maar door deze verschijning begreep ik plotseling de plaats van de dichter, zijn plek en zijn werking binnen de tijd. Men kan hem rustig al zijn posities betwisten, behalve deze. Hier moet men hem accepteren. (Sämtliche Werke VI, 1034-1035)


Over de jonge dichter (1913)

Ik weet niet hoe men het volkomen wonderlijke van een wereld kan ontkennen waarin de toename van het berekende er nog niet eens in is geslaagd de voorraden aan te spreken van wat ieder concreet doel te boven gaat. Toegegeven, de goden hebben geen enkele kans voorbij laten gaan ons in verlegenheid te brengen. Zij lieten ons de grote koningen van Egypte in hun grafkamers ontdekken. Wij konden hen in staat van ontbinding zien. Er is ze niets bespaard gebleven. De extreme prestaties van bouwwerken en schilderingen hebben tot niets geleid. Achter de walm van de balsemingskeukens is de hemel niet opgeklaard. Niemand in de onderwereld heeft zich van de broden en de concubines uit klei bediend. Al die zuivere en geweldige voorstellingen zijn hier (en altijd weer) door de onbegrijpelijke wezens voor wie zij waren bestemd afgewezen en verloochend. Wie zou niet sidderen voor onze nog grotere toekomst? Maar bedenk ook: wat zou het menselijke hart zijn wanneer buiten hem, buiten op een of andere plaats in de wereld zekerheid zou ontstaan, laatste zekerheid. Hoe het hart met een slag als zijn in duizenden jaren opgebouwde spanning zou verliezen, een altijd nog respectabele plek zou blijven, maar wel een waarover men heimelijk zou vertellen wat hij ooit geweest is. Want waarlijk, ook de grootheid van de goden is afhankelijk van hun nood. Welke behuizing men ze ook aanbiedt, zij zijn alleen veilig in ons hart. In ons hart vallen zij vaak uit hun slaap met nog niet ontwikkelde plannen, in ons hart komen zij bij elkaar om in ernst te vergaderen, daar nemen zij hun onontkoombare beslissingen.

Wat betekenen nog alle teleurstellingen, alle onbevredigde grafplaatsen, alle tempels zonder eredienst, wanneer hier naast mij God tot bezinning komt in een jong plotseling versomberd iemand? Zijn ouders zien geen toekomst voor hem, zijn leraren zien alleen zijn lusteloosheid, zijn eigen geest vertroebelt de wereld en zijn dood kijkt al de hele tijd waar hij het best kan worden gebroken. Zo groot is de onnadenkendheid van de hemelse dat hij in dit onbetrouwbare vat zijn stromen uitgiet. Een uur geleden nog kon de vluchtigste blik van zijn moeder dit wezen omvatten. Maar nu kan zij hem niet meer peilen, ook al neemt zij de wederopstanding en de val der opstandige engelen bij elkaar. (Sämtliche Werke VI, 1047-1049)


Keerpunt (1914)

Want zie, er is een grens aan het kijken.

En de geschouwde wereld wil in liefde gedijen.

Het werk van het zien is gedaan.

Doe nu het werk van het hart

Aan de beelden in je, die je gevangen houdt.

Want je hebt ze overweldigd

Maar nu ken je ze niet.

Zie innerlijke man

Je innerlijke meisje,

Dit uit duizend naturen bevochten,

Dit zojuist eerst bevochten,

Nog nooit beminde schepsel.

Sämtliche Werke II, 83-84 -Wendung)


Belevenis (1913)

Hij was aan de andere kant van de natuur beland. (Sämtliche Werke VI, 1038)

Later meende hij zich zekere ogenblikken te herinneren waarin de kracht van deze ene belevenis al in de kiem aanwezig was. Hij dacht aan het uur in die andere tuin in het zuiden (Capri) toen de roep van een vogel buiten overeenstemde met die in zijn binnenste doordat die roep in zekere zin niet brak aan de rand van zijn lichaam doordat hij beide in een ononderbroken ruimte samen pakte waarin – mysterieus beschut – slechts één enkele plek  van het zuiverste, diepste bewustzijn bleef. Destijds sloot hij zijn ogen om zich tijdens zo’n grootmoedige ervaring niet in de war te laten brengen door de contour van zijn lichaam. Aan alle kanten ging het oneindige zo vertrouwelijk in hem over, dat hij geloofde het lichte uitrusten van de intussen opgegane sterren in zijn borst te voelen. (Sämtliche Werke VI, 1040)


Wereldbinnenruimte (1914)

Door alle wezens reikt de ene ruimte:

Wereldbinnenruimte. De vogels vliegen stil

Door ons heen. O, ik die wil groeien,

Ik kijk naar buiten, en in mij groeit de boom.

(Sämtliche Werke II, 93 – Es winkt zu Fühlung…)


Brief aan Witold von Hulewicz, 13.11.1925

De dood is de van ons afgekeerde, de door ons onbeschenen kant van het leven. Wij moeten proberen tot het grootste bewustzijn van ons bestaan te komen dat thuis is in beide niet van elkaar afgegrensde gebieden en door beide gebieden oneindig wordt gevoed… (Briefe aus Muzot 332-333)

Onze opgave is deze voorlopige, gebrekkige aarde zo diep, zo lijdend en hartstochtelijk in te prenten dat haar wezen in ons ‘onzichtbaar’ weer opstaat. (Briefe aus Muzot 335)

De Elegieën stellen deze norm voor het bestaan in: zij  verzekeren, zij vieren dit bewustzijn. (Briefe auz Muzot 336)

De engel van de Elegieën is het schepsel waarin de verandering van het zichtbare in het onzichtbare waaraan wij werken reeds als voltrokken verschijnt. Voor de engel van de Elegieën zijn alle vergane torens en paleizen nog steeds existent want reeds lang onzichtbaar, en de nog bestaande torens en bruggen van ons bestaan al onzichtbaar, hoewel nog (voor ons) lichamelijk van duur. De engel van de Elegieën is het wezen dat ervoor instaat in het onzichtbare een hogere rang van de realiteit te zien. – Daarom ‘verschrikkelijk’ voor ons omdat wij, zijn liefhebbenden en veranderaars toch nog aan het zichtbare hangen. – (Briefe aus Muzot 337)

Deze keuze werd gemaakt ter ondersteuning van de Rilke-lezing door Eric Bolle op de Zondag van de filosofie, georganiseerd door demens.nu, Brussel 20 maart 2022.