Kant-crisis

Heinrich von Kleist: Het gewelf en de Kant-crisis. Vertaalde brieffragmenten


Het gewelf

Zink niet,

Zelfs wanneer de gehele onderwereld op je drukt!

Sta, blijf staan zoals het gewelf blijft staan

Omdat al zijn blokken willen vallen!

Penthesilea vers 1347-1350, S I 367,  DKV II 191

*

Ik ging die avond voor de belangrijkste dag in mijn leven in Würzburg wandelen. Toen de zon onderging was het alsof mijn geluk zou ondergaan. Ik huiverde toen ik eraan dacht dat ik misschien van alles zou moeten scheiden, van alles wat mij dierbaar is.

In mezelf gekeerd en in gedachten verzonken liep ik door de gewelfde poort terug de stad in. Waarom, dacht ik, zakt het gewelf niet in elkaar? Er is toch niets dat het houvast biedt? Het blijft staan, antwoordde ik, omdat alle stenen allemaal ineens en tegelijk willen instorten – en ik trok uit deze gedachte een onbeschrijflijk verkwikkende troost die mij tot het beslissende ogenblik altijd met de hoop terzijde stond dat ook ik mij zou houden wanneer alles mij zou laten zinken.

Aan Wilhelmine von Zenge, 16.11.1800, S II 593, DKV IV 159

*

De Kant-crisis

Onlangs maakte ik kennis met de nieuwe zogenoemde Kantiaanse filosofie – en nu moet ik jou daaruit een gedachte meedelen waarbij ik niet bang hoef te zijn dat hij jou net zo diep en pijnlijk zal treffen als mij. Jij kent het geheel niet voldoende om het gewicht ervan volledig te begrijpen. Ik wil intussen zo duidelijk mogelijk spreken.

Wanneer alle mensen in plaats van ogen groene glazen zouden hebben, dan zouden ze wel moeten oordelen dat de dingen die ze er door heen zien groen zijn – en nooit zouden zij kunnen beslissen of hun oog hen de dingen toont zoals ze zijn, of dat er aan de dingen iets wordt toegevoegd wat niet bij hen, maar bij het oog hoort. Zo gaat het met het verstand. Wij kunnen niet beslissen of dat, wat wij waarheid noemen, werkelijk waarheid is, of dat het ons alleen maar zo lijkt. Wanneer het laatste het geval is, dan is de waarheid die wij hier verzamelen na de dood niet meer – en alle streven zich een eigendom te verwerven dat ons ook nog in het graf volgt tevergeefs –

Ach, Wilhelmine, wanneer de dolkstoot van deze gedachte jouw hart niet raakt, glimlach dan niet over iemand anders die zich diep in zijn heiligste binnenste daar door verwond voelt. Mijn enige, mijn hoogste doel is gezonken, en ik heb er nu geen meer –

Sinds deze overtuiging, namelijk dat hier beneden geen waarheid te vinden is, voor mijn ziel trad, heb ik nooit meer een boek aangeraakt. Ik heb zonder iets te doen door mijn kamer heen en weer gelopen, ik ben bij het open raam gaan zitten, ik ben naar buiten in de open lucht gelopen, een innerlijke onrust dreef mij tenslotte naar tabaks- en koffiehuizen, ik ben naar toneelstukken en concerten gegaan, allemaal om me verstrooiing te brengen, ik heb zelfs om me te verdoven een dwaasheid begaan die Carl jou beter kan vertellen dan ik; en toch was de enige gedachte die in dit uiterste tumult met gloeiende angst op mij bleef inwerken, altijd slechts deze: je enige, je hoogste doel is gezonken –

Aan Wilhelmine von Zenge, 22.03.1801, S. II 634, DKV IV 205

*

Lieve Wilhelmine, ik eer jouw hart en jouw bemoeienis mij gerust te stellen, en de koenheid waarmee je je niet schaamt voor je eigen mening, ook al spreek je een beroemd systeem tegen – Maar de dwaling ligt niet in het hart, zij ligt in het verstand, en alleen het verstand kan haar opheffen.

Lieve Wilhelmine, ik ben door mijzelf op een dwaalweg beland, ik kan alleen maar door mij zelf daar weer van af komen. Deze dwaalweg, wanneer het er een is, zal onze liefde niet ten val brengen, maak je daarover niet ongerust. Wanneer ik eeuwig in deze raadselachtige toestand zou moeten blijven, met een innerlijk hevige drijfveer tot activiteit, maar toch zonder doel – ja dan, dan zou ik zeker ongelukkig zijn, en zelfs jouw liefde zou mij dan niet kunnen afleiden, niet met bewustzijn gelukkig kunnen maken. Maar ik zal het woord wel vinden dat het raadsel oplost, wees daarvan overtuigd –

Aan Wilhelmine von Zenge, 28.03.1801, S II 638, DKV IV 210

*

Verward door de leerstellingen van een treurige filosofie, er niet toe in staat ook maar iets te doen, er niet toe in staat ook maar iets te ondernemen, er niet toe in staat naar een ambt te solliciteren, was ik uit Berlijn weggegaan, alleen maar omdat ik bang was voor die rust waarin ik de rust het minste vond; en nu ben ik onderweg in het buitenland, zonder doel of bestemming, zonder te kunnen begrijpen waartoe dat zal leiden – Soms was het mij op deze reis te moede alsof ik mijn afgrond tegemoet ging –

Aan Wilhelmine von Zenge, 21.07.1801, S II 667, DKV IV 244

*

Verantwoording

Bij de vertaling werd gebruik gemaakt van deze vier edities van Kleists brieven:

S

Heinrich von Kleist: Sämtliche Werke und Briefe, bezorgd door Helmut Sembdner, 2 delen, München 1970 (5e druk).

DKV

Heinrich von Kleist: Sämtliche Werke und Briefe, bezorgd door Ilse-Marie Barth e.a., 4 delen, Frankfurt a.M. 1987-1997 (Deutscher Klassiker Verlag).

http://www.kleist-digital.de/briefe

https://www.projekt-gutenberg.org/kleist/briefe/chap002.html (Illustratie: Brief 28)

© Nederlandse vertaling Eric Bolle 2020