“Ik maak letterlijk mijn eigen wereld.” Met Marcel Wesdorp in de grot van Plato

 

Ik heb Marcel Wesdorp leren kennen op 28 maart 2014. Het was een stralende lentedag. Hij had mij uitgenodigd zijn werk te komen bekijken. Omdat hij samen met andere kunstenaars mijn boek Afscheid van wat nooit geweest is had gelezen, was hij benieuwd naar mijn reactie. Tijdens onze ontmoeting ontspon zich een dialoog met Plato als voornaamste referentiepunt.

 

I

 

Laten we bij het begin beginnen. Of liever, laten we teruggaan naar het begin, naar de oorsprong van het denken over kunst. Daar gaat het al meteen fout, want Plato moet niets van kunst hebben. Hij wil dat de kunstenaars worden verbannen. Ambachtslieden niet, die mogen blijven. Waarom?

 

Omdat voor Plato kunst nabootsing is. Een kunstenaar tekent een stoel na, een dichter beschrijft hem slechts. Daarmee maken ze kopieën van een kopie. Want de echte stoel, de stoel die de timmerman maakt en waarop je kunt zitten, dat is ook al een kopie. De kopie van het origineel. Het origineel is volgens Plato de idee stoel, de oerstoel zoals de schepper hem heeft ontworpen.

 

Aan kunstenaars heb je niets. Ze brengen je op een dwaalspoor. Ambachtslieden zijn nuttig want zij maken dingen waar je wat aan hebt en richten zich naar de idee. Filosofen, dat zijn pas echte mensen, want die richten zich in hun denken naar de idee. Zij zijn als enigen ertoe in staat de oorspronkelijke vorm te schouwen en onderwijzen op grond daarvan andere mensen.

 

De Europese traditie zal deze opvatting niet overnemen en de kunst meer ruimte geven dan Plato. Blijven we dicht bij huis. Wie zal ontkennen dat er wel geen stoel is die de idee stoel zo dicht benadert als de stoel van Rietveld. En wat was Rietveld eigenlijk? Filosoof, kunstenaar of ambachtsman? Was hij niet alle drie?

 

Plato’s verbanning van de kunst wordt niet overgenomen. Maar zijn mensbeeld wel. Volgens Plato leven wij in een grot. Wij zitten vastgebonden en staren naar schaduwen op de muur die wij aanzien voor echte dingen. Maar weinig mensen slagen erin zich te bevrijden en in de grot rond te lopen. Zij zien wel de dingen in de grot die hun schaduwen op de muur werpen. Zij zien echte voorwerpen. Als deze mensen al hun moed verzameld hebben, durven zij misschien de grot te verlaten. Nadat zij zijn gewend aan het felle licht van de zon, zien zij de ideeën die aan de dingen ten grondslag liggen.

 

In het licht en de warmte van de zon zijn zij gelukkig. Het is het paradijs waar de dingen uit zichzelf tonen wat zij zijn: idee. In de zintuiglijke wereld zie je bijvoorbeeld allemaal verschillende paarden, die toch allemaal als paard herkenbaar zijn. Maar die paarden zijn vergankelijk. Zij gaan allemaal dood. In het paradijs zie je de idee paard, de paardheid van het paard. Die idee staat buiten de tijd. Als alle ideeën is deze idee onbeschrijflijk mooi en onvergankelijk. Zij schept de stabiliteit en onveranderlijkheid die je houvast geven in het leven en waar mensen zo oneindig naar kunnen verlangen.

 

Toch vinden veel mensen Plato een arrogante betweter. Plato op zijn beurt vindt de mensen die in het paradijs willen blijven arrogant. Want zij hebben de idee geschouwd. Daarom zijn ze volgens hem verplicht terug te gaan naar de grot om daar andere mensen te bevrijden en de taken van het openbaar bestuur op zich te nemen. En dat moeten ze volgens hem doen ook als ze zich daarmee gehaat maken en misschien wel ter dood worden gebracht zoals Plato’s eigen leermeester, Socrates.

 

De mensen die in het paradijs de idee hebben geschouwd, die noemt Plato filosofen en zij zijn in zijn ogen de voornaamste mensen, de mensen die zijn mensbeeld bepalen. De grote vraag die het idealisme na Plato zal stellen, is deze: horen de kunstenaars – anders dan Plato zelf denkt – niet eigenlijk ook bij die filosofen? Maken zij niet op ultieme wijze de idee zichtbaar die aan de werkelijkheid ten grondslag ligt?

 

Opnieuw dichtbij huis. Is Mondriaans Victory Boogie Woogie niet bij uitstek het zichtbaar worden van het ritme en het grid van New York? Is dit schilderij niet meer New York dan New York zelf? Dit schilderij van Mondriaan is de idee New York. De idee is tegelijk het concept en de verschijningswijze van de stad. De idee is als concept geestelijk, als verschijningswijze zintuiglijk, zij verenigt beide kenniswegen en maakt zo de ervaring van de stad als geheel mogelijk. De contemplatie van dit schilderij brengt je in vervoering, je treedt buiten jezelf in het paradijs van de intellectuele aanschouwing.

 

II

 

Bij Marcel Wesdorp gaat het niet om het paradijs. Hij loopt niet buiten rond, is ook niet vrij bezig in de grot. Hij is bij uitstek iemand die bezig is met de muur en de schaduwen op de muur. Hij zou het helemaal met de Duitse dichter Gottfried Benn eens zijn wanneer hij zegt dat de muur de natuurlijke gesprekspartner is van de mens. Voor Wesdorp gaat het om de schaduwen op de muur, of voor onze tijd opnieuw geformuleerd, om films op een beeldscherm.

 

Wat zien wij eigenlijk wanneer wij een wij een film van Marcel Wesdorp bekijken? Wij kijken dan naar een zwart-wit landschap waarover de camera heen strijkt. Die camera, zegt Wesdorp, dat zijn wijzelf. En het landschap, dat is letterlijk de wereld die ik zelf maak. Dit landschap is helemaal virtueel. Het beeld wordt voortgebracht door een algoritme dat Wesdorp zelf heeft gemaakt. Het rekenwerk dat de filmbeelden genereert, is het werk van computers. Die filmbeelden, dat zijn de schaduwen die wij tegenwoordig zien in de grot van Plato. Het zijn geen mooie plaatjes, het is geen prachtig landschap. Je wordt er niet gelukkig van. Het zijn schaduwen in de nacht.

 

Kijken naar de film van Wesdorp kluistert je inderdaad zoals de mensen in de grot van Plato zijn geboeid. Je kunt niet anders kijken dan vooruit. In alle films van Wesdorp is er maar één ogenblik waarop de camera draait en terugkijkt. Voor de rest kijkt de toeschouwer star met de camera mee vooruit. Het kost moeite je los te rukken, en lang nadat je bent opgehouden met kijken blijven de beelden bij je. Ze zijn sterker dan de werkelijkheid, zelfs als de zon schijnt en je weer naar buiten gaat.

 

Plato mag dan wel vertellen wat vrijheid is en ons de uitgang uit de grot wijzen, in het werk van Wesdorp is er alleen de mens die naar de muur kijkt en een landschap ziet dat letterlijk naar hem terugkijkt. Het virtuele landschap is voor Wesdorp geen object maar subject, dat door zich te projecteren ons terugwerpt op onszelf. Er is wel niets waar Wesdorp zo trots op is als de wijze waarop zijn werk mensen op zichzelf terugwerpt. Zijn ambitie is onze binnenwereld te verkennen. Die binnenwereld is volgens hem circulair; er is niets achter de horizon behalve het landschap zelf.

 

De verkenning van het medium is daarom de verkenning van ons innerlijk. Dit innerlijk is productief en beklemmend tegelijk. Je maakt je eigen wereld en daarin ben je vrij. Maar het is een vreemd soort vrijheid, want je wordt ook op jezelf teruggeworpen. Teruggeworpen worden op jezelf is beklemmend en angstwekkend. ‘s- Nachts droom ik van zijn werk, dat ik erin opgesloten zit en er niet meer uit kan.

 

Wesdorp laat zo zien dat er tussen de mens en de schaduwen op de muur meer gebeurt dan Plato denkt. En hij verschilt van Plato (en vele anderen) dat hij niet naar bevrijding streeft, maar juist de beklemming verder wil onderzoeken en in kaart brengen. Becketts Film met Buster Keaton waarin iets soortgelijks aan de hand is, is dan ook een belangrijke verwijzing voor hem. Ook in deze film speelt de muur van Plato een hoofdrol.

 

Wesdorp wil met zijn werk laten zien wie de mens is en wat zelfkennis betekent. Plato heeft volgens hem wel gelijk wanneer hij de kunst wil verbannen. Als kunst alleen maar nabootsing is en niet meer wil zijn dan een spiegel van de maatschappij, dan is ze ook voor Wesdorp niet van belang en kan ze beter achterwege blijven. Maar Wesdorp vindt ook dat de stoel van Rietveld niet moet worden begrepen zoals Plato de stoel opvat. Rietveld laat puur zien wat een stoel áls stoel is. En zeker het normatieve is wat Plato en Rietveld delen: zo hoort een stoel eruit te zien. Maar anders dan Rietveld interesseert Wesdorp zich niet voor het normatieve, voor de voorschriften van De Stijl hoe de wereld eruit dient te zien: “Ik heb mijn eigen wereld al gemaakt. Dat is genoeg.” Wesdorp maakt kunst niet om te beginnen, maar om te stoppen. Hem interesseert niet het begin maar het einde, de doodlopende weg.

 

In Mondriaans Victory Boogie Woogie waardeert Wesdorp het abstractieproces de weg naar het virtuele. Het schilderij is helemaal uit het hoofd ontstaan. Het is de stad getransformeerd tot binnenwereld. Die binnenwereld zegt meer over de stad dan de stad zelf. Wesdorp is het met me eens dat dit schilderij meer New York is dan de stad zelf.

 

Is Wesdorps kunst meer landschap dan het landschap zelf? Zegt de binnenwereld meer over de wereld dan de wereld zelf? Waartoe leidt de complete overgave aan de ontkenning die Wesdorp zelf als leidraad ziet in zijn werk? Wist in dit werk de laatste mens zijn sporen uit? Dit zijn de vragen waartoe zijn werk ons uitnodigt te mediteren.

 

Meditatie, beschrijving van een gevoel. Er gebeurt niets, helemaal niets meer. Behalve dat je vlucht, terwijl je niet eens hoeft te vluchten. Er is niet eens meer iemand voor wie je zou moeten vluchten. Het gevoel helemaal alleen te zijn, een naakt dat in het niets van de wereld. Geen mensen meer, geen dieren meer, geen planten meer. Namen hebben al lang geen zin meer want er is niets om te benoemen. Geen huizen, geen steden, geen beelden. Alleen jij en de lege ruimte. En je loopt, en je loopt en je loopt. Je cameraoog ziet de glooiingen van de heuvels van antraciet en de hemel. Een zwarte woestijn. En dit gevoel. De laatste te zijn en toch te moeten vluchten.

 

Geschreven: april 2014. Herzien en gecorrigeerd: juni 2019. Oorspronkelijk verschenen in: Tot ergens aan voorbij, Galerie Helder, Den Haag 2014, 16-24. Illustratie met vriendelijke toestemming van Marcel Wesdorp: ‘Maar ook niemand was zo bekend in haar stem’. 1996 – 1999  Installation. Zie ook het diepzinnige commentaar van Anton Simons:  Vluchten met Plato – Eric Bolle over kunst.

 

Advertenties