Hoeder van het onbeschikbare. Marcel Wesdorp en de kunst van onze tijd

Dit stuk stelt zich ten doel het werk van Marcel Wesdorp te plaatsen in de context van de kunst van onze tijd. Om een representatief beeld van die kunst te krijgen ben ik naar de Biënnale van Venetië 2019 geweest. In een eerste paragraaf wordt daar verslag van gedaan. Omdat ondergangsvisioenen een belangrijke rol spelen op de Biënnale ga ik in een tweede paragraaf op Spengler in en op de discussie over diens werk in Nederland. Wesdorp verschilt zowel van deze Biënnale als van de Nederlandse Spenglerianen door het proces van spiritualisering en verinnerlijking dat zijn kunst kenmerkt. In de derde paragraaf ga ik in op het recent verschenen boek van Hartmut Rosa: Unverfügbarkeit, Residenz Verlag 2019. De vierde paragraaf maakt dit boek vruchtbaar voor een interpretatie van Wesdorp als hoeder van het onbeschikbare. Rode draad in dit artikel is de wens van de Biënnale vertrouwen te scheppen.

 

I

Mijn bezoek aan de Biënnale heb ik als een ware nachtmerrie ervaren. Het Arsenale is een pakhuis vol particuliere obsessies en gewelddadige toekomstvisioenen. Ik wist al dat de slaap van de rede monsters voortbrengt, maar dat dat, wat interessant is ook beklemmend kan zijn, dat heeft deze expositie wel heel overtuigend aangetoond. Leven in interessante tijden (het motto van 2019 luidt May you live in interesting times) is inderdaad meer een vloek dan een uitdaging.

Dat  neemt niet weg dat hier een betrouwbaar beeld wordt geschetst van hoe de kunst er voor staat. Het overwegend jonge publiek (de helft van de bezoekers is onder de 26) neemt uitvoerig de tijd dit alles op zich in te laten werken en is duidelijk gemotiveerd de dialoog met de werken aan te gaan. De Biënnale doet ertoe, op de eerste plaats voor jonge mensen.

Ik zal dit pandemonium niet gemakkelijk vergeten. De afschrikwekkende installaties waarin een robot onophoudelijk bloed aandweilt of waarin een verraderlijke tuinslang sissend lucht spuit uit Lincolns marmeren zetel staan definitief in mijn geheugen gegrift. Met deze beelden in het achterhoofd valt het moeilijk te geloven dat vertrouwen het lange termijn doel van de Biënnale is. Maar dat is wel wat deze expositie volgens haar voorzitter aan het slot van zijn statement op het oog heeft.

Het is voor mij niet altijd gemakkelijk solidair te zijn met een kunst die gemaakt is door of uit naam van onderdrukten. Vanuit de positie van het slachtoffer is de dader de heteroseksuele blanke man die wordt beschouwd als drager van het patriarchaat en van het neokolonialisme. Met zulke generalisaties kweekt men eerder schuldgevoelens aan dan dat men aanspoort tot de gewenste politieke veranderingen. Voor de op de Biënnale exposerende kunstenaars geldt wat Robert Musil al zo’n honderd jaar geleden schreef: “De ongelooflijke wreedheid van onze politieke en economische organisatievorm die de gevoelens van de enkeling geweld aandoet, is daarom zo onontkoombaar omdat deze organisatievorm tegelijkertijd de enkeling een oppervlak en de mogelijkheid zich uit te drukken geeft.” In mijn ogen legt Musil met deze woorden een beter fundament voor de dialoog en schept hij betere condities voor vertrouwen dan de meeste kunstenaars op de Biënnale doen.

Nu ben ik iemand die niet van chaos houdt. Ordnung muss sein. Ik ben altijd bang in verwarring te worden gebracht en dat is hier gebeurd. Als ik eenvoudig op basis van mijn eigen smaak een top drie samenstel van werk dat mij persoonlijk heeft geraakt, dan is het wel mogelijk om de dingen te begrijpen. Alleen kan ik daarvoor beter het Arsenale verlaten en naar de Giardini gaan, naar het park met de landenpaviljoens waar de kunst wat meer ruimte en de bezoeker wat meer lucht krijgt. Mijn top drie is: 3 Zwitserland, 2 Denemarken, 1 Roemenië.

 

No elegance in the art of withdrawal

De kunstenaars in het paviljoen van Zwitserland geven ons enkele aanwijzingen om het pandemonium beter te begrijpen. Deze kunstenaars (het gaat om dansers) beschouwen onze maatschappij als maatschappij van haatdragendheid. Zij voelen zich niet vertegenwoordigd door een politiek die mensen buitensluit. Tegen de tendens van vijandigheid in willen zij collectief naar achteren bewegen in de hoop dat de mensen dan weer samen komen en er iets onverwachts gebeurt. Inspiratie daarbij is de list van Koerdische vrouwen die hun schoenen achterstevoren aantrokken en zo hun achtervolgers op een dwaalspoor brachten. Er is weliswaar geen elegantie in de beweging van het zich terugtrekken, maar men kan er wel mee overleven.

 

Complete naties zijn gebouwd op sprookjes

Nummer 2 op mijn persoonlijke top 3 is het paviljoen van Denemarken. Hier wordt een postapocalyptische film vertoond met afwisselend beelden van het Palestijnse Bethlehem voor de ramp, en beelden van de dialoog die twee overlevenden met elkaar voeren in een bunkercomplex. Moeder denkt vol nostalgie terug aan haar huis en het geluk dat zij daar heeft beleefd. Zij wil dat de jonge vrouw die mede uit erfelijk materiaal van haar dochter is gekloond de herinnering levend houdt en een mythe schept die de overlevenden kan helpen in hun voortbestaan. Maar de gekloonde vrouw voelt daar weinig voor. Zij heeft die herinneringen weliswaar met de erfmassa ingeplant gekregen, maar zij voelt heel goed dat het niet haar eigen herinneringen zijn en dat de gebeurtenissen haar meer dan anderen hebben onteigend. Zij zet in op wetenschap en techniek als overlevingsstrategie terwijl moeder inzet op poëzie en mythe: “Complete naties zijn opgebouwd op sprookjes.”

 

Unfinished conversations on the weight of absence

Na met elkaar achteruit dansen (mijn nummer 3) en de postapocalyptische film over de betekenis van het collectieve geheugen (mijn nummer 2) brengt het paviljoen van Roemenië een verfrissende kijk op het nihilisme en komt daardoor voor mij op nummer 1 te staan. Belu Simion-Fainaru laat zijn Monument for Nothingness zien. Aan beide zijden van de entree van het paviljoen zijn grote witte panelen gemonteerd met gaatjes erin. Er staat een vaas rode rozen voor en de bezoeker wordt uitgenodigd een rozenblaadje op te rollen, in één van de gaatjes te stoppen en daarbij een wens te doen. Een postmoderne variant op de Klaagmuur in Jeruzalem, ingebed in onafgemaakte gesprekken over het gewicht van afwezigheid. Nihilisme betekent volgens mij hier dat men altijd opnieuw kan beginnen zolang men maar iets blijft wensen en het verlangen niet is uitgedoofd. Op deze dubbelzinnige Biënnale een ondubbelzinnige opsteker. Men kan altijd opnieuw de muren witten. De beklemming wijkt, ik krijg weer lucht.

 

II

Waarom ben ik eigenlijk naar Venetië gegaan? Sinds Spengler in het Nederlands is vertaald kan ik voor ondergangsvisioenen net zo goed thuis blijven. En om mooie kunst te zien kan ik beter naar Rotterdam gaan, want daar woont Marcel Wesdorp.

De ondergang van het Avondland is als thema in Nederland weer in zwang. Opnieuw wil men onze cultuur redden, het verval tegengaan en de oude grootheid herstellen. Dat was echter helemaal niet Spenglers voorstel. Hij vond dat wij moedig moesten accepteren dat onze tijd voorbij is en plaats moeten maken voor andere culturen. Pessimisme is gerechtvaardigd en optimisme is lafheid, – zo vond hij.

Marcel Wesdorp is al veel verder. Zijn werk speelt zich af na de ondergang. Die ondergang is voor hem niet zozeer een catastrofe als wel een overgang naar de diepte, een zoeken naar de basis in ons innerlijk landschap, het vinden van een fundament in een verlaten aarde, een spiegeling van onszelf aan het ruisen van de zee. Bij Wesdorp komt Rilkes Weltinnenraum tot stilstand. Het proces van poëtische verinnerlijking en spiritualisering is voltooid. Voor onszelf doen wij niet meer ter zake. Wij hebben de kant van ons leven bereikt die van ons is afgekeerd. Zijn werk is aan de andere kant van de natuur aanbeland.

Om te kunnen bereiken wat Wesdorp heeft bereikt, moet je vaak afscheid nemen. Afscheid nemen is ook in de ogen van Spengler een deugd, maar dat is nu precies wat de Spenglerianen in Nederland niet willen. Zij willen opnieuw aanknopen bij de Gouden Eeuw. Maar of dat een verstandig idee is? Wesdorp knoopt ook aan bij Nederlandse grootheid, maar dan bij die van Mondriaan en Bram van Velde en hun steeds verder voortschrijdende abstractieproces.

Anders dan de populaire misinterpretatie van Spengler gaat ook de Biënnale verder. Want in Venetië beseft men dat de ondergang niet alleen voor het Avondland geldt maar voor de gehele planeet en dat het verleden met zijn kolonialisme en slavernij geen aanknopingspunt biedt voor de toekomst.

Het is goed dat zo veel nieuwe landen en culturen, zo veel nieuwe kunstenaars en gezichtspunten op de Biënnale een kans krijgen zich te presenteren. Regelmatig steekt een onverwachte vitaliteit de kop op. Maar niemand gelooft dat er oplossingen bestaan voor onze problemen. Is vertrouwen daarom een vraagstuk geworden voor de Biënnale? Vertrouwen is volgens mij op de eerste plaats een geschenk. Nog voordat er iets tussen mensen gebeurt schenken zij elkaar vertrouwen of niet. Vertrouwen laat zich niet afdwingen zoals gezag of respect. Zijn mensen nog bereid elkaar vertrouwen te schenken?

 

III

Hoe zou het vertrouwen kunnen ontstaan en hoe zou kunst daaraan een bijdrage kunnen leveren? Ik wil proberen die vraag te beantwoorden door het boek van Hartmut Rosa over Unverfügbarkeit te bespreken en zijn gedachten toe te passen op het werk van Marcel Wesdorp. Door hem te interpreteren als hoeder van de onbeschikbaarheid wil ik invulling geven aan het vertrouwen waarnaar de Biënnale zegt op zoek te zijn.

Hoewel het woord vertrouwen geen rol lijkt te spelen in het boek van Rosa, speelt het toch op de achtergrond voortdurend mee. Want wij hebben als moderne mensen geen vertrouwen in de wereld. Onze basishouding is agressiviteit. Wij willen de wereld veroveren, steeds verder gaan, alle weerstanden overwinnen en alle processen controleren. Ons denken is zelf en als zodanig agressief. Het denken werkt door het gelijkstellen van het ongelijke, en laat zich nog het beste met een generaal zonder leger vergelijken. Alles is strategie. Alles wat onbeschikbaar is moet beschikbaar worden, en wel steeds beter, sneller en goedkoper.

Dat lukt ook goed. Steeds meer dingen worden beschikbaar en steeds meer processen worden controleerbaar. Maar het heeft ook iets monsterlijks. Want hoe meer wetten, hoe meer overtredingen. Artsen kijken hoe langer hoe meer naar hun computer in plaats van naar hun patiënt, de politie is meer met administratie bezig dan met optreden, en de leraar wordt helemaal fijngeknepen tussen de eisen van ouders, het aan de knoppen draaien van managers, en de prestatieverwachtingen van de leerlingen. Leraren worden volgens Rosa het meest door burn-out bedreigd omdat de frontlinie tussen beschikbaarheid en onbeschikbaarheid dwars door de school heen loopt. Niemand durft een keuze te maken tussen het aanvinken in het leerlingvolgsysteem en de Bildungsidealen van Humboldt, tussen de opvatting van leerlingen als een controleerbaar bestand of de weerklank die de stof bij leerlingen teweeg kan brengen. En weerklank, resonantie – daarop komt het volgens Rosa aan.

Resonantie ontstaat wanneer wij door iets worden geraakt en daar op in willen gaan. Dingen die volledig beschikbaar zijn roepen geen weerklank op en veroordelen ons tot kilte. Wij gaan steeds vaker op zoek naar het onbeschikbare en hopen het te vinden in de sport (bij voetbal weet je nooit van te voren wie wint en hoe er gespeeld wordt), in het toerisme en in het museum. Soms lukt het, maar vaak ook niet. De grootste kans onverwacht aangesproken te worden vind je volgens Rosa in het museum. Kunstwerken bieden in zijn ogen een belangrijke resonantieruimte. Zij zijn een waar geschenk. Ik kan hem daarin alleen maar gelijk geven.

Wat is er verder nog meer onbeschikbaar? Wat is er nog een life-changing experience? Waar liggen nog wel mogelijkheden tot een uitwisseling met de wereld te komen? Wat hebben wij nog niet verloren omdat wij het beheersen en overheersen? Waardoor kunnen wij ons nog wel laten aanspreken en wat onttrekt zich aan ons dat zich niet door ons laat toe-eigenen? In de meest radicale zin is de dood het onbeschikbare bij uitstek. Toch schept de dood volgens Rosa geen mogelijkheden tot weerklank. De dood heeft geen stem en je kunt er niets mee. Men kan wel proberen de dood te recupereren door het sterven in de greep te krijgen, en dat gebeurt ook regelmatig en op grote schaal. En natuurlijk kan men ook zelf een einde aan zijn leven maken. Maar alles blijft in zijn ogen staan in het teken van de agressiviteit, van pogingen alles wat onberekenbaar is te onderwerpen.

Fotografie en digitalisering spelen hierbij een belangrijke rol. Door de digitalisering is alles onder handbereik gekomen en de fotografie probeert vooral die momenten vast te houden waarin er iets moois of onverwachts gebeurt. Op het ogenblik van afdrukken lijkt er sprake van dat er iets tussen de mens en de wereld gebeurt, maar later bij het foto’s kijken is dat allemaal weer voorbij en nauwelijks meer na te voltrekken. Wij blijven blasé en teleurgesteld achter. Omdat digitalisering en fotografie een belangrijke rol spelen in het werk van Wesdorp kom ik hier nog op terug.

Ik heb het woord onbeschikbaarheid leren kennen in de Hölderlin-Forschung. Het betitelt daar alles, wat men Hölderlins opvattingen over mythologie en openbaring te maken heeft. Het gaat om de godheid als onbeheersbare natuurmacht en als lot, en om het ingrijpen van de goden in de geschiedenis en om hun verdwijning daaruit. Dat alles heet onbeschikbaar. Uit het boek van Rosa leer ik nu dat het begrip afkomstig is uit de theologie van Rudolf Bultmann die daarmee een scherp onderscheid maakt tussen religie en technologie. God is inderdaad onbeschikbaar, maar dat wil nog niet zeggen dat hij niet naar ons luistert of dat wij niet tot hem kunnen bidden. Religie is ook in de ogen van Rosa een geslaagde resonantie-ervaring, een geschenk. Maar net als de kunstervaring in het museum is niet iedereen de weerklankervaring van het geloof gegeven.

Ik denk dat Rosa als het over de dood gaat, toch nog wel een stapje verder had kunnen gaan. Is de dood wel zo kil als Rosa denkt? Is de onbeschikbaarheid ervan niet eigenlijk heel goed met die van God vergelijkbaar? Is niet toch een symbolische uitwisseling met de dood mogelijk? Rosa houdt ervan Rilke te citeren als het er om gaat de dingen tegen de woorden te beschermen, maar zegt Rilke niet ook iets definitiefs over beschikbaarheid en onbeschikbaarheid wanneer hij opmerkt: “De dood is de van ons afgekeerde, de niet door ons beschenen kant van het leven: wij moeten proberen het grootste bewustzijn van ons bestaan te bereiken dat in beide onafgegrensde gebieden thuis is, door beide onuitputtelijk wordt gevoed…” Biedt deze opmerking niet de troost die Rosa lijkt te zoeken en biedt zij niet het herstel van vertrouwen waar we op zoek naar lijken te zijn? De opmerking komt uit Rilkes brief aan zijn Poolse vertaler, Witold von Hulewicz,10.11.1925.

Ik bedoel daarmee vooral en eigenlijk alleen het metafysische vertrouwen, het besef dat de mens op de eerste plaats deelgenoot is van zijn wereld en dat er voor het strategische denken wel degelijk alternatieven bestaan. Voor dit metafysische vertrouwen kunnen gedichten als die van Rilke en kunstwerken als die van Wesdorp instaan. Ook de andere toestand van Musil hoort bij deze alternatieven. Het vertrouwen in de wereld van de politiek en van de professionals is veel moeilijker te herstellen. Dat als er iets mis gaat er altijd een schuldige moet zijn en dat de regels moeten worden aangepast, dat zal ons nog wel lang blijven achtervolgen. Maar het metafysische vertrouwen gaat dieper. Kunst en literatuur staan hoger dan de dagelijkse gang van zaken en kunnen daarom helpen een uitweg te vinden.

 

IV

Mijn vader werkte bij Siemens. Ik kan me nog goed herinneren dat hij, toen ik een jaar of 15 was, met computergrafiek naar huis kwam. Mij interesseerde deze kunst, gemaakt door computers en ik keek er graag naar. Maar als je Marcel Wesdorp op de kast wilt jagen moet je met hem over computerkunst beginnen. Wesdorp maakt geen computerkunst, maar schept zelf zijn eigen innerlijke landschap. Daarbij maakt hij wel en graag gebruik van digitale bestanden die hij naar eigen inzicht manipuleert. Het gebruik van technologie, ongeacht van welke aard, hoeft resonantie ook volgens Rosa niet in de weg te staan. Kunstenaars hebben altijd gebruik gemaakt van de nieuwste technieken. Het bijzondere van Wesdorps kunst is dat hij aan de digitalisering geheel eigen, nieuwe vormen van onbeschikbaarheid weet te ontfutselen. Zelfs series als Le pli en Where are you + PW, die zo zichtbaar op mathematisering en digitalisering berusten en waarvan je zou denken dat ze bij uitstek geschikt zijn om te laten zien hoe zeer wij zijn vervreemd van het landschap en de landschappelijkheid, kenmerken zich door een geheimzinnige vertrouwde atmosfeer van innerlijkheid en spiritualisering. Dat kan alleen Marcel Wesdorp.

Dat geldt ook voor de fotografie. Net zoals Rosa heb ik niets met foto’s. Ik maak ze  zelden of nooit, en eigenlijk alleen maar op aandrang van mensen om me heen. Op een later tijdstip foto’s bekijken doet ook weinig met me. Daar kan ik Rosa alleen maar gelijk in geven. Maar het geldt niet voor de foto’s van Wesdorp, met name voor de serie Yport, die nog niet langs digitale weg maar met traditionele techniek (Hasselblad) tot stand is gekomen. Ook gaat het hier om een echte zee, niet om een imaginair landschap. Wesdorp merkt over deze serie op: “De foto’s (deze ervaring) waarmee ik uiteindelijk thuis kwam zou opnieuw een beleving betekenen die ik daarvoor nog niet eerder gekend had. In mijn donkere kamer zou ik er een afdruk van maken in het formaat van 18 x 18 cm en ik prikte deze foto met een punaise aan de muur met de vraag: ben ik mentaal klaar om deze leegte toe te treden?” Die vraag “Ben ik mentaal klaar om deze leegte toe te treden?”, daar gaat het om. Hebben wij vertrouwen in de leegte? Kunnen wij worden gedragen door het niets? Ik ben geneigd die vraag met ja te beantwoorden. De kunst helpt ons daarbij.

Om op de rode draad in dit artikel terug te komen. De Biënnale wil op de lange termijn vertrouwen scheppen. Het lijkt mij dat het werk van Wesdorp daaraan kan bijdragen. Ik droom van een Biënnale van het vertrouwen. Als motto denk ik aan “Weltinnenraum”, “The other side of nature” of “The side, turned away from us”.

 

Met dank aan Marcel Wesdorp voor de vriendelijke toestemming PW2 als illustratie op te nemen.

Eric Bolle is filosoof en germanist. Hij publiceerde eerder drie artikelen over Marcel Wesdorp op zijn website Helden van de Geest.