Het ding worden van Jean De Groote

Het Kunstboek van Jean De Groote In de stilte van de dingen wil de kijker én lezer uitnodigen om stil te staan bij de omstandigheden die aan de oorsprong liggen bij het ontstaan van zijn werk. Het is een kijk- én leesboek geworden waarin de werken en de processen toegelicht worden door vooraanstaande auteurs, kunstcritici, kunstfilosofen en collegae kunstenaars. Met vriendelijke toestemming van de kunstenaar en de uitgever verschijnt de bijdrage van Eric Bolle ook hier op Helden van de Geest.

I

Wanneer ik de website van Jean De Groote bekijk, is het eerste wat me opvalt de enorme sensualiteit. De homepage brengt misschien wel de meest zinnelijke roos die ooit is geschilderd. Het ontbreken van context, het isolement van de bloem op het doek, versterkt die indruk nog eens. De roos hoeft alleen maar roos te zijn. Zij ademt wat Cioran “de zoete stompzinnigheid van het ongearticuleerde geluk” heeft genoemd (1). Bomen, planten en bloemen wekken onze afgunst op. We worden jaloers op ze. Ze zijn heilig omdat ze niet zijn bevlekt door bewustzijn (2). Dat geldt ook voor deze roos. Maar toch is deze roos niet alleen maar aan het dommelen en doezelen. Terwijl ze bezig is uit te drogen lijkt ze zich naar ons te willen uitstrekken en onze aanraking te zoeken. Ze keert zich in ieder geval niet van ons af.

Klikken we nu de homepage weg, dan krijgen we een inhoudsopgave, die laat zien dat De Groote niet alleen bloemstillevens schildert. Hij schildert ook mensen en zichzelf. De zelfportretten hebben humor en laten een schilder zien die zichzelf kan relativeren. Hij knijpt een oogje toe en heeft in een kolderieke bui een lampenkap opgezet. De sociale portretten zijn vol emotie. Een man lijkt blind en heeft een bril in plaats van ogen. Een andere man heeft moeite zich van de achtergrond los te maken. De schilder is begaan met zijn model. Ik voel toewijding en medeleven. De vrouwenportretten ademen dan weer dezelfde sensualiteit als de roos. Maar valt op de bloem een gedempt maar helder licht, de vrouwen kijken ons zwoel en omfloerst aan. Hier is ook veel tederheid net zoals in het erotisme in de Intieme Delen.

Gaat het bij de Intieme Delen onomwonden over seks, het intieme in Observations Intimes heeft meer te maken met de intimiteit van reflecties die de schilder misschien wel niet had willen delen. Hier worden meerdere mensen tegelijkertijd en soms zelfs een massa mensen gepresenteerd. Er is niet alleen weinig onderlinge samenhang tussen de schilderijen in deze serie. Het wulpse en wellustige zijn ver te zoeken en hebben plaats moeten maken voor verwarring en agressie. Zit het intieme hier in zijn afwijzing en afkeuring van wat mensen doen? Gaat het hier om het kwaad? Is de onsamenhangendheid op de doeken een afspiegeling van het gevoel van de schilder hier niet thuis en op zijn gemak te zijn? Feit is dat de schilder de mensen kent, maar ook in verwarring wordt gebracht door wat mensen doen en dat graag op afstand houdt. Zijn schilderijen helpen hem daarbij en brengen orde in de chaos.

Het is niet mogelijk de gehele website door te nemen, iedereen kan dat voor zich doen, maar wat opvalt is dat De Groote pas echt in zijn element is wanneer hij alleen is en dingen schildert. Ook hier kan Cioran ons helpen De Groote beter te begrijpen:

“Mens zijn is minder natuurlijk dan zijn als zodanig. Dat ervaren wij instinctief; vandaar het lustgevoel wanneer wij ons van onszelf afkeren en één worden met de zalige sluimer van de dingen. Wij zijn alleen maar onszelf wanneer wij aan onszelf tegengesteld, met niets congruent zijn, niet eens met onze eigen eenmaligheid.” (3)

Bij de dingen ligt het paradijs. Het verhaal rond de dingen is voor de schilder naar eigen zeggen een soort opdracht, een missie om dit te ontdekken. Dit op zich is zo boeiend voor hem, en gaat met zoveel onderzoek gepaard dat hij niets anders meer wil doen. Hij onderzoekt de leegte, het niets en het ruimtelijke. Het uit- of afbeelden van iets wat zogenaamd leeg of niets is, vergt zijn uiterste aandacht. Hij kan dat alleen maar wanneer hij zelf leeg of ontdaan is van alles om hem heen, vooral van menselijke aanwezigheid. Het verhalende rond alles wat met mensen te maken heeft, vermoeit de schilder, maakt hem hol, stoot hem af. De dingen verschaffen hem rust, de mensen onrust. De kleinste, banaalste dingen worden bijna sacraal. Het minste blijkt altijd nog iets, niets is gering. Alleen in de stilte van de dingen kan men zich aan het geluk herinneren, kan men het geluk ervaren.

De schilder wil ding worden om de dingen tot spreken te brengen en hun eigen (niet ons) verhaal te laten vertellen. Hij wil naar ze luisteren. En als ik naar de website kijk, dan lukt dat op heel overtuigende wijze: de schilderijen laten voelen wat niet zichtbaar is, zoals de schilder zelf zegt te willen. Ding worden – dat is de hoogste ambitie van zijn kunst.

II

Om beter te begrijpen wat Jean De Groote beweegt wil ik zijn werk vergelijken met twee andere schilders en met wat twee dichters over die schilders hebben geschreven. Aan de hand van wat Maurice Gilliams over Henri de Braekeleer. en Philippe Jaccottet over Giorgio Morandi zegt, wil ik overeenkomsten en verschillen in kaart brengen en zo iets leren over waarom het iemands ambitie kan zijn ding te worden door te schilderen.

Ik wou dat ik zo over kunst kon schrijven als Maurice Gilliams. Zelden kom ik zulke mooi en trefzekere zinnen tegen als bij hem. Gilliams is werkelijk een meester als het over kunstkritiek gaat:

“De Braekeleer heeft blijkbaar niets anders te geven, dan datgene wat voor De Braekeleer bestemd is, nl. de stilte. Hij ondergaat haar niet, omdat hij zich toevallig in een stille buurt, op een stille kamer bevindt. Zij houdt in hemzelf verblijf; zij is een soort van giftige afscheiding, waar de psychische en fysieke mens als het ware langzaam en onherstelbaar een verkalkingsproces door ondergaat. Hij ziet van de stilte uit, die voor hem een wijsgerige betekenis heeft. Zij is dus geen dromerige of vage rust voor hem, geen weerspiegeling, geen weerkaatsing, maar een staat zó volledig dat hij er geheel in kan leven en denken.” (4)

Zoeven bracht ik De Groote met Cioran in verband: het paradijs, of de herinnering aan het paradijs, ligt bij de dingen. Voor zover het ding aan het paradijs herinnert staat het buiten het verhaal en buiten de geschiedenis. Het paradijs is een soort oerstaat, een antropologisch gegeven. Het geldt voor ons allemaal. Alleen in de stilte van de dingen kan men zich aan het geluk herinneren, kan men het geluk ervaren. Maar Gilliams heeft het over het gif (het gif van de slang die een einde heeft gemaakt aan het paradijs?) en ziet de stilte van De Braekeleer nu juist niet als een soort algemene regressie, maar als iets typisch voor De Braekeleer en voor hem alleen. Deze stilte is voor hem niet levensbedreigend, integendeel alleen daar kan De Braekeleer leven, zij het gebrekkig. De Braekeleer en De Groote hebben dus gemeenschappelijk dat zij zonder stilte, dat zij zonder de stilte van de dingen niet kunnen leven. Toch kan het hier niet over hetzelfde gaan. Cioran heeft een stilte der dingen voor iedereen en altijd, maar buiten de geschiedenis en buiten wat wij het echte leven plegen te noemen, Gilliams alleen voor De Braekeleer, lijkt het, voor een uniek iemand, in een unieke tijd (2e helft 19e eeuw) en op een unieke plek (Antwerpen). Betekent dit dat het werk van de Braekeleer typisch is voor hem en alleen geldingskracht heeft in en vanuit zijn specifieke situatie, terwijl De Groote veel meer op zoek is naar iets, dat wij allemaal delen en universeel van toepassing is: ding worden om aan het kwaad in de mens te ontkomen?

Zo eenvoudig is het niet. Want volgens Gilliams heeft de Braekeleer niet alleen de essentie van zijn tijd te pakken, maar ook de essentie van de eenzaamheid:

“Na lang en indringend kijken, moet men zich verwonderen over de luciditeit van dit pessimisme, waar de Idee Henri de Braekeleer zich in gekristalliseerd heeft. Ook hier is de stilte volledig. En niet als een voorbijgaande stemming, is de eenzaamheid voelbaar geworden; zij is een bewust doorstane bestendigheid, een irreparabele, tragisch-heroïsche levensstaat. De Braekeleer heeft de eenzaamheid gezien, zo indringend compleet als het een welgeschapen mens mogelijk is haar te zien.” (5)

Dit is het heldendom van de geest in het isolement van de schilder. Het gaat om alledaagse dingen, om interieurs, om stukjes straat, om mensen in een stoel. Pieter de Hooch is niet ver weg, maar zijn intimiteit heeft iets huiselijks en vertrouwds, dat bij de Braekeleer is verdwenen om plaats te maken voor kuisheid en ingetogenheid. De afstand tussen de schilder en zijn wereld is groter geworden. De Groote probeert die afstand weer te verkleinen. Ascetisme is zelfs in zijn stillevens niet kenmerkend voor De Groote. De glans van de verf en de olie, de fluwelen zinnelijkheid van de materie zijn daarvoor te nadrukkelijk aanwezig. Bij De Groote gaat het niet alleen om de reinheid van de voorstelling maar ook om de dynamiek van de verf, die hem helpt zorg te dragen voor de dingen, ze dichter bij te brengen en ze te bevrijden van het banale.

III

Mensen worden onrustig van mensen. Veel mensen wordt het allemaal te veel. Het is niet mogelijk naar al die verhalen te luisteren. Hebben de dingen niet ook een verhaal? Is de schilder hun woordvoerder? Of is het juist het zwijgen van de dingen dat rust geeft? Rust in de schilderkunst heeft iets sacraals, het schilderij zou deel uit kunnen maken van een ceremonie of communie. Er is niets, wat er niet toe doet, en dat wordt gevierd. Maar wat is precies het afstotende aan het verhaal van de mensen? En klopt het dat ik dit zeg? Want kunst moge dan iets sacraals hebben, de schilder is geen priester. Of toch?

Als ik hem deze vragen voorleg antwoordt De Groote dat hij zijn banale objecten wel degelijk als iets heiligs ziet en ook zo behandelt, hij koestert ze, verheft ze als een soort monstrans, hij toont ze, opgeheven als voor een altaar. De aandacht, de toewijding, de zorg – daardoor hebben de dingen niet meer het koude afstandelijk banale als voorheen, neen ze worden mooi. De Groote verheft ze uit het alledaagse, het banale én ongeziene. Hij bouwt dit beeld, die betrokkenheid van zelf uit het niets. Elke penseelstreek is een vertaling van zijn mentale, affectieve relatie met dit idee.

Laten wij om deze ambitie en deze opvatting van de schilderkunst beter te begrijpen kijken naar wat Jaccottet over Morandi schrijft. Overtuigt Gilliams door zijn klaarte en trefzekerheid, Jaccottet tast moeizaam de weg naar zijn duiding af, neemt zijn toevlucht tot Morandi’s lievelingsschrijvers (Pascal en Leopardi) en laat zich al schrijvend helemaal gaan in het spel van vrije associaties.

Morandi keerde zich tot de dingen om de oorlog  achter zich te kunnen laten. Ingetogenheid en kuisheid zijn hier net als bij de Braekeleer ook aanwezig. Morandi ziet net zoals De Groote zichzelf in zijn atelier als een monnik die in zijn cel de dingen celebreert. Jaccottet ziet het werk van Morandi als een soort theeceremonie. Over de dingen op de stillevens lijkt een laagje poeder, een laagje stof te liggen, en je kunt je afvragen of het wel echte bloemen zijn die hij schildert of dat ze van papier zijn of zijn gedroogd. De concreetheid en spaarzaamheid van de dingen weerhoudt ons van de vlucht naar de Platoonse idee. Morandi buigt ons terug naar de aarde en het licht. Geduld, lijdzaamheid, volharding – dat zijn hier kardinale deugden.

“Het is de oneindig kalme weerspiegeling van het licht dat van elders komt en dat men wel moet volgen, zich in herinnering wil roepen, en waarop men wil wachten. “In die oude vertrekken, in het weerkaatste licht van de sneeuw”, zoals Leopardi zegt. Morandi kende dit mooie fragment uit de Ricordanze uit het hoofd, en wist ook dat het ondanks de schijn van het tegendeel niet alleen maar om de smart gaat van een denkbeeldig paradijs dat men onherroepelijk heeft verloren.” (6)

Wanneer Morandi een kom, wanneer De Groote zijn koffiekop schildert, dan is de voornaamste overeenkomst dat dit voorwerp voor hen de nap van een pelgrim is. De schilderkunst viert de dingen, bij Morandi in een gelijkmatig, vergeestelijkt licht, bij de Groote in een wat sensueler strijkend licht. Ergens op de achtergrond, maar niet onomstreden, speelt het verhaal dat de dingen gespaard zijn gebleven bij de zondeval en ons herinneren aan onze oorspronkelijke onschuld. Wanneer men het zo ziet hebben wij het paradijs nog steeds in ons, en helpt de schilderkunst ons het te ontdekken. Maar er is nog een ander verhaal van de dingen, en dat is dat ze ons helpen onze eenzaamheid te verdragen en op eigen kracht onze weg door de wereld te vinden. Misschien hangen beide verhalen met elkaar samen? In ieder geval weten wij nu dat ding worden een uitweg betekent. Jean De Groote gaat ons daarin voor.

IV

Wat zien we eigenlijk wanneer we naar een schilderij van De Groote kijken? Laten we drie schilderijen onder de loep nemen. Het zwarte gat. Een inkijk in het niets is een boeiend schilderij en een meditatie over het niets. Toch is dit niets niet zo niets als je zou denken. Er zit een rand omheen. Dit niets is toch een iets met een duidelijk afgebakende rand. Maar dat geldt ook voor zwarte gaten in de astronomie. Wanneer het de ambitie van de schilderkunst is in onderscheid tot de fotografie het onzichtbare zichtbaar te maken, wat gebeurt hier dan? Als hij kijkt voelt de toeschouwer, en dat is het verschil met een foto, dat hij door de kleur zwart wordt weggezogen. Het heeft iets dwingends. Er wordt een beroep op je gedaan. Wat wordt er van je verwacht? Het gaat toch wel degelijk om een confrontatie met het niets. Is dit niets het einde? Een nieuw begin? Is het een argument voor of tegen iets? We weten eigenlijk niet wat het niets van ons verlangt. Inzicht in de ongegrondheid van onze maatschappij of in het ontbreken van een inzet voor onze rivaliteit, voor onze geschiedenis, onze geopolitiek? Maar het hoeft niet noodzakelijkerwijs over nihilisme te gaan. Het kan ook te maken hebben met overlevering en gebruiken. Zwart gat past heel goed in een kloostercel en in een kloostertraditie. Het herinnert me aan de doeken die ik in een Duits klooster tijdens de Goede Week zag hangen over het crucifix en het kruis.

Envelop is een heerlijk schilderij. Wanneer ik er naar kijk word ik vrolijk. Waarom eigenlijk? Een envelop betekent dat je iets krijgt, er zit iets in. Maar je weet niet wat. Tegen de grijze achtergrond is deze envelop pasteus geschilderd, je ruikt de verf, ook al kijk je naar een reproductie. En dan kan deze envelop natuurlijk ook leeg zijn, nieuw, ongebruikt en vol mogelijkheden om iets in te stoppen. Normaal gesproken impliceert een envelop mensen: een afzender, een geadresseerde, een postbode en wat niet al. Dat is hier niet het geval. Er zit geen postzegel op. Het is de lege envelop voor de man zonder eigenschappen. Zolang de envelop ongebruikt en ding blijft liggen alle mogelijkheden open, kan er van alles gebeuren. Maar beter is het zo te laten, de envelop sluimert dan niet alleen in alles, wat er kan gebeuren, maar hoedt ook de mogelijkheden als mogelijkheden en daarmee de toekomst. Zei ik dat de envelop sluimert? Nee, dat is niet waar. De envelop waakt, is helder en klaarwakker. Zij waakt over onze toekomst.

Lichtschakelaars is het meest intrigerende schilderij van De Groote. Meestal wendt men zich tot de dingen om de techniek de rug toe te keren. Dat geldt voor Rilke, maar ook voor Heidegger en Jünger. Techniek wordt geassocieerd met lelijkheid, met massatoerisme, met gelijkvormigheid en met nivellering. Designers hebben er hun handen vol aan om ons tot technische dingen te blijven overreden en ze aantrekkelijk te blijven vinden. Maar de meeste technologische voorwerpen doorstaan de tand des tijds niet. Beroemd zijn de foto’s van auto-, vliegtuig- en scheepskerkhoven. Meestal buiten het zicht van het rijke Westen. En dat heb ik het nog niet eens over de ravage en de milieuschade die de industrie vroeger bij ons en tegenwoordig elders in de wereld aanricht.

Hoe De Groote er toe komt zijn Lichtschakelaars te schilderen is dan ook hoe je het wendt of keert een daad tegen de esthetica. Ze zijn lelijk, ook al zijn ze onmisbaar. De sleutel tot dit schilderij lijkt mij dan ook niet op de eerste plaats in de voorstelling te liggen, maar in het licht in tegenstelling tot de schaduw. Schaduw is dominant aanwezig op dit schilderij en lijkt steeds meer ruimte van het geschilderde doek voor zich op te eisen. Gaat het om een dreiging die zijn schaduw vooruit werpt? Of gaat het om een schaduw die bezig is het doek te verlaten? In dat laatste geval heeft de schilder toch meer vertrouwen in de techniek dan de eerder genoemde schrijvers en filosofen. Misschien is het omdat zijn liefde voor de dingen ook de technische voorwerpen omvat en ze hem nog altijd meer te vertellen hebben dan de mensen. In ieder geval confronteert hij ons door dit schilderij met een raadsel dat wij nog niet hebben opgelost.

Noten

1.

Cioran: La chute dans le temps, in: Oeuvres, bezorgd door Yves Peyré, Gallimard 1995, 1117.

2.

T.a.p. 1154.

3.

T.a.p. 1071.

4.

Maurice Gilliams: Inleiding tot de idee Henri de Braekeleer, in: Vita Brevis. Verzameld Werk, Amsterdam 1984, 496.

5.

T.a.p. 538.

6.

Philippe Jaccottet: Le Bol du pèlerin (Morandi), in Oeuvres, Bibliothèque de la Pléiade, 1154.

Het boek is vanaf 14 november 2020 verkrijgbaar in de Copyright Bookshop Gent en Antwerpen: www.copyrightbookshop.be. Bestellen kan ook bij Jean De Groote: sebastiandmorra@hotmail.com.