Het bevel van het absolute

De geest bij Benn en Schelling

Voor de inhoudsopgave van deze website klik op de zwarte knop helemaal rechtsboven.

Desgewenst kunt u dit artikel als pdf downloaden: Het bevel van het absolute

Benn en Goethe

Gottfried Benn (1886-1956) dateert het nihilisme met Goethes dood (1832). Het is ontstaan omdat men er niet toe in staat was op dezelfde wijze en op hetzelfde niveau te denken als hij. Goethe zocht de juiste verhouding tussen de mens en de natuur, terwijl de mensen na hem over haar zijn gaan heersen en haar zijn gaan uitbuiten. Zo ontstond “een wereldbeeld waaraan iedere spanning ten opzichte van de andere wereld ontbrak. Iedere verplichting ten opzichte van een buitenmenselijk zijn is verdwenen.” (E 207) (1)

In zijn essay Goethe und die Naturwissenschaften (1932) legt Benn uit waarom Goethe voor hem de maatstaf is. Goethe zag niets achter de dingen, maar zag het scheppende en het productieve in de dingen zelf. Overal ziet hij hoe de natuur generatief van aard is en zichzelf voortbrengt. Goethe is een synthese van Plato en Spinoza, de idee is de zichzelf voortbrengende natuur, een plant is de zintuiglijke vorm van een bovenzinnelijke oerplant. Aan een plant is alles blad, zaadblad, stengelblad, kelkblad, bloemblad, stampers. Alles is overgang, modificatie en metamorfose (E 188).

Nadeel van dit vermogen de idee zelf in de werkelijkheid aan het werk te zien is echter dat deze methode nauwelijks leerbaar en overdraagbaar is. Het is veeleer een persoonlijke kwaliteit. Deze natuurbeschouwing is niet mathematisch-natuurkundig van aard, maar heeft het vermogen tot aanschouwelijk denken tot vooronderstelling. Dit intuïtieve karakter leidt ertoe dat men wel Goethes verdiensten ziet, maar hem niet navolgt. (E 193)

Goethe beseft dat hij als onderzoeker zelf deel uitmaakt van de natuur. Hij stelt de natuur niet tegenover zichzelf, en ook wanneer hij experimenteert blijven denken en zijn een eenheid vormen, eenheid waarbinnen de osmose tussen het onderzochte object en de aanschouwende geest plaats vindt. Dat wil zeggen dat Goethe natuurwetenschap bedrijft vanuit de geest. (E 196) Goethe heeft geen universeel toepasbare methode, maar opereert vanuit zijn aanschouwende oordeelskracht, – en daarom vindt hij geen navolging.

Goethe heeft heel goed vooruitgezien dat zijn wetenschappelijke habitus geen navolging zou vinden, en Benn is diep bedroefd over het positivisme van de negentiende eeuw dat volgens hem is ontstaan uit afkeer van Goethe. Niet alleen was men er niet toe in staat op Goethes niveau verder te denken en had men niet zijn persoonlijke kwaliteiten, men legde ook en wel in tegenstelling tot hem de grondslagen voor een wetenschappelijk wereldbeeld dat er met zijn industriële aanpak vooral op uit is de natuur te onderwerpen en uit te buiten. (E 200) Goethe was wijs genoeg alleen datgene te onderzoeken wat onderzocht kan worden en in alle rust te respecteren en te vereren wat zich aan research onttrekt. De mensen na hem zijn daar niet toe in staat en willen dat niet. Benn ziet daarin de oorsprong van het nihilisme. (E 203) Alleen Nietzsche heeft iets van Goethes erfenis kunnen bewaren, en stond daarmee lijnrecht tegenover het positivisme van zijn tijdgenoten. (E 201)

Kunst en nihilisme

Benn verbindt voor zichzelf duidelijke conclusies aan Goethe en Nietzsche. Zelden leest men iemand die zo’n duidelijk beeld heeft van zijn taak als schrijver en wiens zelfvertrouwen op dat punt onwrikbaar is. Voor de domineeszoon Benn kan het geloof niet meer richting wijzend zijn. Als arts is hij zich ook bewust hoe onmisbaar wetenschap is voor het handelen. Maar noch het geloof, noch de wetenschap kunnen hem perspectief bieden op een wereldbeschouwing die voor hem het wezen van de mens raakt. Wat het wezen van de mens raakt is het nihilisme. Nihilisme in de negatieve zin dat alle waarden ontwaard zijn en dat ieder houvast of oriëntatiepunt ontbreekt. Benn heeft dat zelf aan den lijve ondervonden en de overspannenheid die dit inzicht veroorzaakt verwerkt in zijn Rönne novellen. Nihilisme in de positieve zin dat kunst de religie vervangt. Schepping uit het niets staat aan de basis van iedere serieuze kunst. Leegte en eenzaamheid zijn noodzakelijke voorwaarden voor het kunstenaarschap:

“Zo zeker als ik mij vroeg heb afgewend van de problemen van het dogma en van de leer van de geloofsgemeenschap omdat mij alleen maar de problemen van het gestalte geven, van het woord en van het dichterlijke bewogen, zo zeker heb ik de atmosfeer van mijn vaderlijke huis tot op heden niet verloren: in de fanatieke gerichtheid op transcendentie, de vaste overtuiging ieder materialisme van historische of psychologische aard af te wijzen omdat het tekortschiet om het leven te begrijpen en uit te beelden. Maar ik zie deze transcendentie naar de kunst gericht, als filosofie, als metafysica van de kunst. Ik zie dat de kunst de religie van de eerste plaats verdringt. Binnen het algemene Europese nihilisme, binnen het nihilisme van de waarden, zie ik geen enkele andere transcendentie, behalve de transcendentie van de scheppende lust.” (P 289)

Overeenkomst met Nietzsche is dus het inzicht in het waardenverval en de centrale rol van de kunst daar iets tegen in te brengen, iets scheppen dat ons overstijgt. Maar zoals wij zullen zien houdt Benn anders dan Nietzsche vast aan de geest, het absolute en het ik. Net zoals bij Nietzsche is de kunstenaar voor hem het hoogste type mens. Alleen kunstwerken rechtvaardigen een cultuur en legitimeren het bestaan ervan. Dat is vooral gericht tegen de politieke mens: “Wat de politieke mens helemaal niet kan zien, dat is eenzaamheid, ascese, monnikenbestaan – kunst. Maar wanneer de mensheid dat niet zou hebben, dan zou zij geen mensheid zijn.” (P 459) Onwillekeurig moet ik denken aan het schilderij Mönch am Meer van Caspar David Friedrich. Dat ademt dezelfde stemming.

Het absolute ik en de intellectuele aanschouwing

De hoge positie van kunst en kunstenaar, het insisteren op het absolute en de geest, de centrale rol van het ik, de bewondering voor Goethe, – dat leidt eigenlijk vanzelf tot de vraag hoe Benn het Duitse Idealisme zag. Gek genoeg is hij daar weinig expliciet over, maar op de een of andere manier geloof ik dat het zinvol is vanuit Benn naar Schelling te kijken en vice versa. Benn heeft het slechts zelden over Schelling, dus ik doe dat op eigen verantwoording, ook al wist Benn natuurlijk heel goed hoe belangrijk Schelling is geweest voor Goethes natuurwetenschappelijke werk (2).

De filosoof Friedrich Wilhelm Joseph von Schelling (1775-1854) publiceerde in 1795 – dus op twintigjarige leeftijd – een boek dat niets van zijn frisheid heeft verloren en in zijn gedurfdheid de moderne lezer nog veel te vertellen heeft: Vom Ich als Prinzip der Philosophie oder über das Unbedingte im menschlichen Wissen. Schelling vertrekt puur taal analytisch vanuit het Duitse woord voor het absolute, das Unbedingte, dat wil zeggen vanuit dat, wat hoe dan ook geen ding, geen object kan worden. Unbedingt, dat kan alleen maar het subject, het ik zijn. Zoiets als een Ding an sich kan helemaal niet bestaan, want het ding is altijd tot ding gemaakt, bedingt, door een subject. Bovendien zou, als het zou bestaan, het Ding an sich oorzaak moeten zijn van het Ding in Erscheinung. Dat kan helemaal niet, want causaliteit is iets dat alleen geldt voor de wereld in verschijning. Het is dus zaak op basis van Kant een stap verder dan Kant te zetten. Schelling doet dat met behulp van Fichte en Spinoza.

Voor Schelling bevat het ik alle zijn, alle realiteit. Het ik is oneindig, ondeelbaar en onveranderlijk. Alles is in het ik, en buiten het ik is niets, het is hen kai pan, één en alles. Dat herinnert aan Fichte. Aan Spinoza herinnert dat het absolute ik substantie is, en alles wat is de attributen ervan. Het ik is slechts voor zichzelf en is absolute macht. Deze gedachte ligt ver van het empirische. Het absolute staat niet alleen boven, maar vernietigt het empirische ook. Schellings ik heeft de gelukzaligheid helemaal niet nodig, want het is het per definitie gelukzalig. Het eist dat het eindige ik aan hem gelijk wordt: “Sei absolut – identisch mit dir selbst! “ (I|1, 199) (3) Aldus luidt het bevel van het absolute.

Opgave voor ons allemaal als eindige en empirische ikken is dus aan onszelf te werken om te komen tot identiteit met het oneindige ik. Dat betekent vernietiging van onze persoonlijkheid. Einddoel van de wereld is haar vernietiging als eindige wereld. Wij moeten contact zoeken met het absolute ik buiten de tijd om onze oneindige voortduring en onsterfelijkheid te kunnen naderen. In de eindige wereld is geen gelukzaligheid, die ligt alleen in de intellectuele aanschouwing waarin het ik zichzelf produceert als absolute realiteit buiten de tijd. (I|1, 206) Alleen de intellectuele aanschouwing kan ons helpen absoluut zijn en empirisch bestaan in ons identiek te maken. Deze vereenzelviging – dat is de intellectuele aanschouwing. (I|1, 209)

Het empirische ik, de mens zoals hij is, heeft zijn vrijheid te danken aan het absolute ik. Vrijheid is een axioma. Net zo min als de wiskundige de lijn kan bewijzen, net zo min kan de filosoof de vrijheid bewijzen. (I|1, 243) Schellings ambitie is te laten zien dat de mens vrij is en bestemd om te handelen. Vrijheid is het eerste en laatste woord van de filosofie. Filosofie is zuiver een product van de vrije mens en een vrije handeling. De vrijheid realiseren wij door het bevel van het absolute op te volgen en met onszelf identiek te worden.

In zijn bijdrage aan de bundel Materialien zu Schellings philosophischen Anfängen zet Schelling-Forscher Wolfgang Wieland alles nog eens netjes op een rijtje. Hij beschouwt Vom Ich als een prima inleiding tot Schellings filosofie. Alles wat relatief (bedingt) is, verwijst door zijn eigen aard naar het absolute (das Unbedingte). Het Unbedingte is dat, wat nog niet tot ding is gemaakt en ook niet tot ding kan worden gemaakt. Schelling gaat eigenlijk helemaal taal analytisch te werk. Onder welke voorwaarden kan ik over het onvoorwaardelijke spreken? Welnu, het absolute kan nooit tot object van kennis worden zonder zijn karakter van Unbedingtes te verliezen. Dat volgt al uit het begrip zelf. Dat wil zeggen dat het absolute voorafgaat aan het denken en ook daarbuiten ligt. Het is athetisch en transreflexief, en men kan alleen maar proberen het te naderen en steeds iets dichter bij te komen.

Wanneer het niet mogelijk is het absolute als object te beschouwen, – niet alleen omdat het buiten de ervaring ligt maar ook en op de eerste plaats omdat dat al uit het woord zelf volgt – dan kan het uitgangspunt voor het denken alleen maar het subject zijn en kan het niet anders of het ik is principe van de filosofie. Wieland benadrukt dat het bij Schelling op de eerste plaats om begripsanalyse gaat, maar vindt het begrijpelijk dat men deze sprong in Schellings denken als mystiek of irrationalisme interpreteert.

De discussie spitst zich toe als het om de intellectuele aanschouwing gaat. Gaat het hierbij om iets dat men aantreft of iets dat men nog moet realiseren? Is het de weg naar het absolute of het absolute zelf? Volgens Wieland is bij Schelling deze term meerduidig. Het kan ten eerste gaan om een innerlijke ervaring waarin de tijd geen rol meer speelt, – of ten tweede een authentieke mystieke ervaring. Het is ten derde nooit een vorm van bezit waarin men het absolute als eigendom heeft, maar altijd het doel van een oneindige toenadering, – en daarmee ten vierde een hoger leven waarin de persoonlijkheid is uitgedoofd en die men daarom zelfs met de dood kan vergelijken. De intellectuele aanschouwing is een vrije handeling die zich niet van zichzelf bewust hoeft te zijn, maar die aan het bewustzijn vooraf gaat en tot zelfbewustzijn kan leiden. Dat zou dan de vijfde betekenis van de term zijn: niet zozeer een doel om naar te streven maar iets dat altijd al aan onszelf en ons bewustzijn voorafgaat en dat bewustzijn fundeert.

Heel treffend zegt Wieland: “Men kan alleen maar van dit hoogste punt uitgaan maar men kan het niet bereiken want er loopt geen weg naartoe.” (4) En dat is volgens Wieland de reden waarom Schelling uitwijkt naar de gebiedende wijs en de intellectuele aanschouwing ziet als een bevel van het absolute.

Het moderne ik en het absolute

Ook Benn heeft het letterlijk over het bevel van het absolute. De moderne mens heeft echter dit bevel niet opgevolgd maar naast zich neergelegd. Het moderne ik is zijn opgave uit de weg gegaan door sociaal te worden (E 40). Men heeft de weg die Goethe, het Duitse Idealisme en Nietzsche hebben gewezen, niet ingeslagen maar genegeerd. Hooguit een enkel individu heeft zich er door laten aanspreken, maar de maatschappij als geheel wil er niets van weten. Niemand wil zijn nek uit steken of iets wagen. Niemand wil verantwoordelijkheid nemen. Alles wordt geneutraliseerd door meningspeiling en statistiek. Conformisme en sociologie, die horen volgens Benn bij elkaar: “Ik was altijd weer geschokt en teleurgesteld wanneer ik zag hoe de grootste geesten – werkelijk grote – naar de sociologie vluchtten, omdat ze niet meer de moed hadden zich tot zichzelf te bekennen, niet tot hun volheid, maar vooral niet tot hun leegte.” (P 198)

Tot de weinige uitzonderingen horen volgens Benn de artistieke avant-gardes en in het bijzonder het Duitse Expressionisme, waartoe hij ook zichzelf in zijn beginjaren rekent. Hoewel bezweken voor de fascistische verleiding neemt hij toch duidelijk stelling tegen de nationaalsocialistische afwijzing van de moderne kunst als ontaard. Hij verdedigt de avant-gardes omdat zij …”in het permanente zwijgen van het absolute ik de zeldzame roeping door de scheppende geest tegemoet zien.” (E 264) De moderne kunst is bij uitstek de plek waar de moderne mens met zichzelf wordt geconfronteerd en tot het inzicht wordt gebracht welke mogelijkheden hem nog ter beschikking staan om het absolute te ontdekken en er naar te leven. Dat is creativiteit.

Opmerkelijk is daarbij steeds opnieuw hoe zeer Benn zich distantieert van positivisme en levensfilosofie. Hij keurt de geest af voor zover zij de natuur en de mensen uitbuit en onderwerpt. Maar hij blijft ook vasthouden aan wat de geest eigenlijk betekent, namelijk contemplatie en passiviteit als bron van kunst en scheppingskracht: “De geest zal de hem toekomende positie pas innemen wanneer het leven hem begeert, hem probeert naar zich toe te trekken, niet wanneer de geest probeert het leven te controleren of er over te heersen. Dat is de averij van het Avondland. Er is alleen maar de beschouwende en lijdende geest. Dat is een enorm inzicht.” (Aan Oelze, 24.11.1934 | I, 41) Benns beschouwende en lijdende geest, is die niet een nazaat van Schellings intellectuele aanschouwing?

Het Absolute bij Benn

Sinds mijn studie Duits in Leiden midden jaren zeventig van de vorige eeuw heb ik Benn vaak gelezen en herlezen, en heb ik me meer en meer verdiept in de wetenschappelijke literatuur over hem. Dankbaar denk ik terug aan Professor Hans Würzner (1927-2009) door wiens toedoen ik deze dichter heb leren kennen. Ik denk echter niet dat hij zou instemmen met een lectuur van Benn vanuit het absolute bij Schelling, en zie dat in de secundaire literatuur ook verder nergens terug. Ik volg hier eigenlijk alleen maar mijn eigen intuïtie en ben me ervan bewust dat hier meer onderzoek nodig is. In ieder geval spreken beide over het bevel van het absolute, Benn E 40 en Schelling I|1, 199. En beide hebben met hun werk een voorbeeld gegeven hoe men absoluut kan zijn en identiek kan worden met zich zelf.

Laat ons nu eens kijken wat Benn precies onder het absolute verstaat en hoe het gestalte krijgt in zijn werk. Benn heeft het er expliciet over. Voor hem staat de kleur blauw voor het absolute, voor het geluk en de zuiverheid. Het is het woord dat herinnert aan de Middellandse Zee en als vanzelf de ene na de andere associatie oproept. Woorden in het algemeen en zelfstandige naamwoorden in het bijzonder hebben de eigenschap dat zij ons bij het minste of geringste hele series beelden laten zien. Daarbij gaat het om regressie en anamnese, oer herinneringen waarin het ik oplost en beantwoordt aan de macht van het niets dat zijn vorm opeist en terugvindt in het gedicht. (Nicht umsonst sage ich Blau… (P 274-275))

Benns gedichten leggen van dit procedé getuigenis af. Eenzaam staat de dichter in het geheim en de beeldenvloed. Hij begrijpt dat het bestaan slechts tijdelijk is en plaats moet maken voor de vernietiging. Die vernietiging is niet meer – dynamisch -het Sterf en word! Van Goethe, maar – statisch – de vormstille voltooiing van de taal in het statische gedicht. (Wer allein ist – (G 277))

Het lyrische ik is nooit zo eenzaam als in augustus wanneer iedereen plezier heeft en vakantie viert. Terwijl iedereen gelukkig is omdat de zon schijnt en alles in bloei staat dient de dichter wat hij noemt het tegengeluk, de geest. Alleen zonder tastbaar resultaat. Uit niets blijkt dat hij daarmee succes heeft en hij kan ook niets laten zien waardoor hij kan bewijzen dat de geest hem overwinningen brengt. (Einsamer nie – (G 281))

Op 28 februari 1938 schrijft Benn aan zijn vriend Oelze dat wij moeten ophouden de geest naar het leven toe te trekken en hem in het leven te zoeken. Het leven heeft de geest helemaal niet nodig. De geest staat niet in dienst van het leven of omgekeerd. Geest en leven zijn twee totaal verschillende dingen die niets met elkaar te maken hebben. Kunst kan pas ontstaan wanneer men inziet dat de geest zich niet in het leven verwerkelijkt, maar juist alles ondergraaft en ontbindt wat het leven nodig heeft aan gewoonten en instituties om zichzelf in stand te houden. Reden waarom de kunstenaar zoveel tegenwerking ondervindt en zoveel weerstand oproept (Aan Oelze I, 182-184) Uiteindelijk zijn er maar twee dingen die ertoe doen: de leegte en het getekende ik (Nur zwei Dinge (G 427)). Op deze wijze geeft Benn gehoor aan het bevel van het absolute, en wordt hij identiek met zichzelf.

Benn als homo sacer

Zoals gezegd, het Benn-onderzoek heeft dit bevel van het absolute niet gehoord. Wat hoort het wel? Het hoort in ieder geval heel goed hoe Benn met het thema nihilisme om gaat. Bruno Hillebrand besteedt hieraan uitvoerig aandacht in de uitstekende inleidingen bij zijn Benn-editie. (zie noot 1) Literatuurwetenschap is in Duitsland sterk historisch van aard, men wil de teksten graag interpreteren in de context van de tijd waarin zij zijn ontstaan. Men wil de constellatie van de vrienden- en kennissenkring van de schrijver reconstrueren, en de politieke omstandigheden waarin het werk is ontstaan in kaart brengen. Het gaat dus vaak om historiseringen. Een actualisering zoals ik die hier voorstel heeft niet de hoogste prioriteit. Toch vind ik het wel nodig om mijn leidende kennisinteresse op tafel te leggen. Ik lees Benn op de eerste plaats omdat ik van hem een visie op kunst krijg die ik niet alleen op zijn eigen oeuvre, maar op kunstwerken in het algemeen kan toepassen. De historische context staat bij mij niet op de eerste plaats. Dat neemt niet weg dat ik mij ook erg voor de Forschung interesseer.

Eén van de beste boeken over Benn is dat van Christian Schärf. Schärf laat mooi zien hoe Benn tussen de stoelen valt. Voor de fascisten is hij verwerpelijk omdat hij het opneemt voor de entartete Kunst. Voor links en de emigranten is hij verwerpelijk omdat hij het opneemt voor de prille nationaalsocialistische staat. Schärf interpreteert Benn aan de hand van Agamben als homo sacer, als een banneling die nergens bij hoort en op wie men vrijelijk jacht mag maken. Benn zag zichzelf ook zo. Hij zag zichzelf als een paria, een uitgestotene, maar hij was ook arrogant en vond dat de dichter de eigenlijke leider van de natie is. Benn wilde onaanraakbaar zijn, tegelijk elite en uitschot. Volgens Schärf deed Benn in die zin aan hyperpolitiek: de dichter eist als man van de geest alle macht op. Logisch dat de intriges die in de alledaagse politiek de toon zetten aan zijn aandacht zijn ontsnapt en dat hij met zijn interventies weinig succes had. Agamben helpt ook om te zien wat Benn als arts heeft meegemaakt. Hij kent het naakte leven door de talrijke ingrepen en secties die hij heeft verricht en die hem hebben geconfronteerd met lichamelijk en psychisch leed, en zinloos lijden en sterven. Zo  leidde hij een dubbelleven, tegelijk dokter en held van de geest. Hij zag als geen ander dat de cultuur nauwelijks een tegenwicht kan bieden tegen ziekte en dood, en dat de patiënt vaak alleen nog maar kan schreeuwen. “Op  het ogenblik van de schreeuw, is er noch een binnen, noch een buiten, is er geen ik.” (5)

Schärf heeft veel oog voor Benns kleinburgerlijke resignatie en zijn ontologisch fatalisme, hij snapt zijn ressentiment en verklaart het als verkeerde reactie op het uitblijven van erkenning. Het gebrek aan erkenning verklaart ook de afkeer van de democratie. Hij ziet dat Benn daardoor een gemakkelijk slachtoffer voor Hitler was. Hitler is zelf ook begonnen als gefrustreerde kunstenaar. Na de Tweede Wereldoorlog was Benn echter met zijn causerieën op de radio heel succesvol als representant van de Duitse Ideologie, van de gedachte dat de Duitsers nog steeds een cultuurvolk zijn waarvan de wortels teruggaan tot de antieke oudheid. Benn werd beschouwd als het genie van onze tijd, als persoonlijkheid aan wie je de loop van de geschiedenis kunt aflezen en die de norm voor respectabiliteit stelt, ook al koos hij voor eenzaamheid en isolement, en geloofde hij niet meer dat een gemeenschap mogelijk is. Een betere afleidingsmanoeuvre van de Duitse schuld is nauwelijks voorstelbaar.

Dat neemt allemaal niet weg dat Schärf geboeid is door Benn als essayist, ziet hoe diep zijn gedachten, hoe raak zijn observaties zijn, en hoe groot de waardering voor Benn was bij de politiek boven iedere verdenking verheven Robert Musil. Maar uiteindelijk valt het eindoordeel negatief uit. Schärf vindt dat Benn zijn populariteit te danken heeft aan een misstand. Hij kwam als geroepen om het gekrenkte ego van Duitsland te masseren. Voor Schärf is het gezien vanuit het heden vanzelfsprekend dat men niet meer kan inzetten op de soevereiniteit van de geest. In zijn ogen is het overduidelijk dat het absolute een product is van het ressentiment. Maar is dat werkelijk zo? En krijgen de woorden onder andere omstandigheden niet een andere betekenis? Kan men onder gewijzigde omstandigheden Benn niet beter zien zoals ik hem zie? Zijn er nog andere visies op kunst? Ik ken er weinig met zoveel diepgang en zeggingskracht als die van Benn.

Ik wil afsluiten met kort te verwijzen naar het boek van Dieter Wellershoff dat voor mij als student een life changing experience is geweest. Het onderscheid tussen misdadigers en monniken (volgens Benn de enige twee menstypen die er nog over zijn) is in de ogen van Wellershoff het besluit van een wetgever. Het is niet nodig daarvoor argumenten aan te dragen of de openbaarheid daarvan te overtuigen. Het is wat Benn heeft opgestoken uit zijn misstappen en het is zijn existentieel gewaarborgde antwoord op de zinloosheid van de geschiedenis. Door zich niet te conformeren is hij met recht de geestelijke representant van zijn tijd. Zijn bezinning op het wezenlijke, zijn verinnerlijking en zijn humane bewustzijn kunnen ons helpen collectieve processen te wantrouwen en nieuwe misstappen te voorkomen (6). Daarmee staat Wellershoff dichter bij mij dan Schärf. Wellershoff ziet de actualiteit van Benn vooral in de existentiële dimensie van de marginale enkeling. Maar ook dat is voor mij niet genoeg. Er is meer. Voor mij geeft het bevel van het absolute de doorslag.

Noten

1.

Benn wordt geciteerd naar Gottfried Benn: Gesammelte Werke in der Fassung der Erstdrucke, bezorgd door Bruno Hillebrand, 4 delen, Frankfurt a.M. 1982 1984 1989 1990.

G

Gedichte

P

Prosa und Autobiographie

E

Essays und Reden

S

Szenen und Schriften

Gottfried Benn: Briefe an F.W. Oelze, bezorgd door Harald Steinhagen en Jürgen Schröder, 3 delen Wiesbaden en München, 1977 1979 1980.

2.

Goethe: Natur. Schriften, Gedanken, Briefe, Gespräche. Mit Gottfried Benns Essay Goethe und die Naturwissenschaften, München en Zürich 1962, 131-132.

Goethe: Naturwissenschaftliche Schriften, in Goethe Werke Jubiläumsausgabe, 6 delen, Darmstadt 1998, deel 6, 377-530 en 631-742, 677.

3.

Schelling: Vom Ich als Princip der Philosophie, in Sämtliche Werke, bezorgd door K.F.A. Schelling, 14 delen (in twee afdelingen), Stuttgart 1856-1861, 1 | 149-244.

4.

Wolfgang Wieland: Die Anfänge der Philosophie Schellings und die Frage nach der Natur, in Manfred Frank en Gerhard Kurz (redactie): Materialien zu Schellings philosophischen Anfängen, Frankfurt a.M. 1975, 237-279, 252.

5.

Christian Schärf: Der Unberührbare, Gottfried Benn – Dichter im 20. Jahrhundert, Bielefeld 2006, 62.

6.

Dieter Wellershoff: Gottfried Benn. Phänotyp dieser Stunde, Keulen 1986 (oorspronkelijk 1956), 220-221.

Behalve Schärf en Wellershoff kan ik de volgende studies over Benn aanbevelen:

Gunnar Decker: Gottfried Benn. Genie und Barbar, Berlijn 2006.

Holger Hof: Gottfried Benn. Der Mann ohne Gedächtnis, Stuttgart 2011.

Helmuth Lethen: Der Sound der Väter. Gottfried Benn und seine Zeit, Berlijn 2006.