Digitalisering, privacy en basisinkomen.

Richard David Precht is een Duitse filosoof die bestsellers schrijft en die grote invloed heeft op de meningsvorming en beleidsontwikkeling bij onze buren. Zijn stijl is populair en innemend, maar zijn denken is door en door degelijk en wetenschappelijk onderbouwd. Hij promoveerde op Robert Musil, wiens beschouwingen over de invloed van technologische ontwikkelingen op ons zielenleven een bron van inspiratie voor hem zijn. In mijn ogen is er geen betere aanbeveling mogelijk.

De digitale revolutie grijpt diep in ons leven in en berooft ons van onze vrijheid. Kinderen zijn volgens Precht door en door verwend, en angstig voor het echte leven zodra zij hun tablet opzij leggen of hun mobieltje kwijt zijn. Zij hebben moeite zich zonder digitale hulpmiddelen te oriënteren en kunnen nauwelijks tegen teleurstellingen.

Uit eigen ervaring kan ik Precht alleen maar gelijk geven. De vrijheid die ik als kind had om zonder ouderlijk toezicht erop uit te trekken is onvergelijkbaar met de permanente surveillance door Magister of SOM op school tegenwoordig. Alleen, de kinderen hebben als je ze dat vertelt geen idee wat hun aan vrijheid en levenslust wordt onthouden. Voor hun is de huidige situatie vanzelfsprekend en kunnen ze zich geen gelukkiger leven voorstellen dan het hunne.

Maar de digitalisering treft niet alleen de kinderen maar ook de volwassenen, en net zoals de kinderen hebben de volwassenen dat niet eens in de gaten. Stapje voor stapje wordt de mens getransformeerd tot een bundel data die vooral goed te gebruiken is voor marketingdoeleinden en voor het sturen van consumentengedrag. Als we niet oppassen tellen we volgens Precht binnenkort alleen nog maar mee als consumenten. Produceren doen we niet veel meer.

Want Precht gelooft niet dat de robotisering die op handen is voor veel nieuwe banen zal zorgen. Naar zijn mening dreigt massale werkloosheid. Niet voor ingenieurs en ict’ers, niet voor artsen en docenten, maar wel voor ontelbaar vele anderen wier werk makkelijk door robots kan worden overgenomen.

Is dat erg? Nee, mits men zich daarop instelt en zich voorbereidt. Het gaat erom van betaald werk niet langer de zingeving voor een mensenleven te maken. De zin van het leven ligt volgens Precht niet in arbeid maar in de autonome bepaling van hoe je wilt leven. Vrije tijd, contemplatie, Bildung – daar gaat het om. Opleidingen dienen volgens hem niet op de eerste plaats voor te bereiden op de arbeidsmarkt, maar horen er te zijn om zoveel mogelijk mensen ertoe in staat te stellen een vervuld leven te leiden. (168)

Als er niet voldoende werk is, is het oneerlijk om werklozen op te zadelen met schuld- en minderwaardigheidsgevoelens. Bovendien zijn vrijwilligerswerk en artistieke ontplooiing niet minder bevredigend dan betaald werk. Daarom is Precht voorstander van een onvoorwaardelijk basisinkomen van 1500.00 per maand, te financieren uit een belasting van 0.05% op iedere financiële transactie. Op deze wijze wil Precht een solide materiële basis leggen voor het menszijn in de toekomst.

Precht beschikt dus over duidelijke ja’s en nee’s. Hij vindt het jammer dat het strategische denken verdwenen is en dat de politiek er niet meer in slaagt nieuwe doelen te stellen en te verwerkelijken. Toch zijn de dingen die hij wil helemaal niet onmogelijk te bereiken. Kort samengevat wil hij:

1.

Onvoorwaardelijk basisinkomen van 1500.00, gefinancierd uit microbelastingen.

2.

Bescherming van de privésfeer. Persoonlijke data zijn eigendom van de burgers. Ze verhandelen is strijdig met de menselijke waardigheid.

3.

Naar analogie met wegen en verkeer worden het netwerk, zoekmachines, email en sociale netwerken zonder commerciële belangen ontwikkeld en beschikbaar gesteld door de staat. (259-260)

Precht ziet heel goed dat het sleutelwoord om zijn ideeën te realiseren vertrouwen luidt. (212) Helaas ontbreekt het daar op vele plaatsen aan. Maar zou het realiseren van deze doelen op dit moment niet het beste zijn wat de politiek kan doen, juist om het vertrouwen te herstellen?

Richard David Precht: Jäger, Hirten, Kritiker. Eine Utopie für die digitale Gesellschaft, München 2018.