Architectuur en de andere toestand

MoE 3

 

Op 12 april 2018 werd bekend dat De IJhal de publieksprijs van de Amsterdamse Architectuur Prijs 2018 heeft gewonnen. De IJhal is een strook winkels en restaurants aan de noordzijde van station Amsterdam CS met zicht op het IJ en de daar vertrekkende veerboten. Het publieksjuryrapport zegt: “De IJhal straalt luxe en grandeur uit. Hij is een verrijking van Amsterdam en een cadeautje voor alle Amsterdammers en de vele toeristen.” De filosoof Eric Bolle nam een kijkje bij deze schepping van Wiel Arets en beschrijft de gevoelens die deze architectuur bij hem oproept aan de hand van Robert Musils leerstuk over de andere toestand.

 

Welke gevoelens roept architectuur op? Wat gebeurt er met ons in een gotische kathedraal, in de Rue de Rivoli, in een museum of op een begraafplaats? Feit is dat gebouwen gevoelens oproepen en dat mensen steden bezoeken om dat mee te maken. Mijn sterkste architectuurgevoelens worden opgeroepen in Plecnicks begraafplaats voor Ljubljana, in Mies’ villas in Krefeld, in zijn wolkenkrabbers in New York en Chicago, en in de architectuur van Wiel Arets, met name in de IJhal in Amsterdam en in de Universiteitsbibliotheek van Utrecht.

 

De ruimten van Mies geven lucht, men voelt opluchting zodra men ze ziet of betreedt. In Haus Lange en Haus Esters voel ik me meteen een stuk beter. Er valt een hoop spanning van me af en ik kan me concentreren op het wezenlijke. Mies wilde naar eigen zeggen neutrale kaders scheppen waarin niet alleen mensen maar ook kunstwerken optimaal zichzelf kunnen zijn en tot hun recht kunnen komen. Juist door als architect een stap terug te doen en zo min mogelijk aandacht voor het gebouw te vragen is Mies daarin geslaagd.

 

Critici als Tafuri, Dal Co en Cacciari wijzen erop dat Mies afstand schept. Hij gaat geen dialoog met zijn omgeving aan, maar onttrekt zich aan de stad door andere gebouwen te weerspiegelen. Zonder dat het om een morele veroordeling gaat, wordt de stad zo op zichzelf terug geworpen. Zij komt niet binnen. Fritz Neumeyer heeft in zijn editie van Mies’ geschriften laten zien uit welke filosofische bronnen Mies hierbij put en welk intens denkproces hieraan ten grondslag ligt.

 

Concentreert Neumeyer zich met name op Hegel en Nietzsche wanneer hij laat zien hoe Mies zich bevrijdt van het historisme en (zij het laat) de stap naar de avant-garde zet, voor mij staat het werk van Ernst Jünger centraal wanneer ik naar Mies kijk. Ik denk daarbij niet alleen aan Mies’ receptie van Jüngers filosofie van de techniek, maar vooral aan de figuur van de anarch in Jüngers roman Eumeswil.

 

Deze roman geeft mij de woorden waarnaar ik bij Mies op zoek ben. De anarch zegt twee dingen: “Er gaat niets boven mij.” En: “Dat gaat mij niets aan.” Door zichzelf zo moed in te spreken blijft de anarch overeind wanneer de burgeroorlog begint, en weet hij aan vervolging te ontkomen.

 

Dit lijkt mij ook de houding van Mies’ wolkenkrabbers ten opzichte van de stedelijke context. Zij rusten in zichzelf, reageren niet op de plek, laten zich niet uitdagen, gaan in zichzelf op. Zij onttrekken zich aan de gang van zaken, de stad gaat hen niets aan. Zij zijn voor zichzelf de hoogste waarde.

 

Wiel Arets heeft veel met Mies gemeenschappelijk. Hun geboorteplaatsen en denkbeelden liggen niet ver uiteen, en Arets is ook in institutionele zin aan Mies verwant als één van zijn opvolgers aan het architectuurinstituut van het Illinois Institute of Technology in Chicago. Arets groeide op te midden van werken van Mies en geeft les in een gebouw van Mies, S.R. Crown Hall. Bovendien is Arets voorzitter van de MCHAP, de Mies Crown Hall Americas Prize, die hij op IIT heeft ingesteld. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

 

Toch geloof ik niet dat de houding van de anarch die volgens mij zo kenmerkend is voor Mies, en die zeker ook bij Arets een rol speelt, doorslaggevend voor hem is. Ik denk dat voor Arets minstens evenzeer het denken van Robert Musil en de figuur van de man zonder eigenschappen een rol spelen. In ieder geval wil ik hier proberen zijn architectuur te duiden vanuit wat Musil de andere toestand noemt. Gaat het bij Mies om onverschilligheid (désinvolture) ten opzichte van de stad, en het scheppen van neutrale kaders, bij Arets gaat het erom tegelijkertijd in de stad aanwezig te zijn en je aan haar te onttrekken.

 

Om wat voor soort onttrekking gaat het? Gewoonlijk doen mensen dingen met de bedoeling iets te bereiken. Zij handelen strategisch. Zij hebben bedoelingen en willen doelen realiseren. Niet alleen de dingen, ook zichzelf en elkaar zien zij als middel tot een doel. Dat is niet verkeerd. Op deze wijze denken is noodzakelijk om te overleven en succes te hebben. Ontwikkeling en vooruitgang zijn gebaseerd op dit type denken. Het is niet verkeerd, maar het gaat slechts om de uiterlijke mens. De innerlijke mens komt te kort.

 

De innerlijke mens staat centraal in Musils grote roman. Om de weg terug te vinden naar wie ik ook en misschien wel eigenlijk ben, moet ik afzien van succes in de wereld en me afvragen wat er van mij overblijft wanneer ik afzie van mijn eigenschappen. Deze roman is veel meer dan men tot nu toe heeft gezien een spirituele zoektocht. De hoofdpersoon, Ulrich, is een erfgenaam van Nietzsche omdat hij met zichzelf het experiment aangaat, maar hij is ook een erfgenaam van de middeleeuwse mysticus Meister Eckhart omdat hij ziet dat de innerlijke mens tekort komt.

 

Het onderscheid tussen innerlijke en uiterlijke mens schraagt het gehele denken van Eckhart. We moeten alle uiterlijkheden, alle dingen waaraan we zijn gehecht maar ook alle dingen die wij haten, laten voor wat ze zijn. We moeten ervoor zorgen dat onze ziel zo blank wordt als een spiegel, en geen ongerechtigheden bevat. We moeten willen verblijven in de woestijn waar alle zin en betekenis van ons gewone leven hun geldigheid hebben verloren. Wij moeten niet bang zijn voor het niets, want het niets is het enige dat leidt tot God. Uiteindelijk is het niets God zelf. Hoe meer wij ons van de schepping afscheiden, hoe meer God van ons gaat houden. God kan helemaal niet anders dan naar ons toe komen wanneer wij afscheid nemen van onze omgeving. En dat is helemaal niet moeilijk. Eckhart wordt niet moe iedereen hiertoe aan te sporen. Iedereen kan het, iedereen staat rechtstreeks in contact met God. Het gaat niet om een elitair project of het beproeven van een extreem soort ascese. Eenzaamheid is productief. Weg daartoe is het stille gebed waarin wij helemaal niets voor niemand vragen, afstand doen van onszelf en onze eigenschappen, en proberen ons ontvankelijk te maken. Hoe leger we van onszelf worden des te voller worden wij van God.

 

Nu gaat het er bij Ulrich niet om één te worden met God. Het gaat hem er om één te worden met de wereld. Hij is op zoek naar de beeldloze aanwezigheid van het absolute in de mens. De unio mystica met alles wat hem omgeeft is het favoriete onderwerp van de gesprekken tussen hem en zijn zuster Agathe in de roman, maar ook enkele essays van Musil gaan hierover. Kunst helpt de andere toestand te bereiken. Zij kan ons een roes schenken die leidt tot de ervaring van het absolute waarin wij ons met alles verbonden voelen en waarin wij onze identiteit verliezen. De identiteit, dat is nu juist waar de man zonder eigenschappen vanaf wil. Hij wil naamloos versmelten, en Meister Eckhart is daarbij een soort reisgids en handleiding voor hem.

 

Wel niemand brengt de absolute ervaring van de andere toestand zo mooi onder woorden als Agathe in één van de heilige gesprekken met haar broer Ulrich, wanneer zij luieren in de zon, en ademhalen op het ritme van een zomerdag:

 

Zo vertelde zij over de eigenaardige toestand van verhoogde ontvankelijkheid en sensibiliteit, die een overstromen en terugstromen van indrukken teweegbrengt, waaruit het gevoel ontstaat als in de zachte spiegel van een watervlak met alle dingen verbonden te zijn en buiten je wil om te geven en te ontvangen; dit wonderbaarlijke gevoel van ontgrenzing en grenzeloosheid van zowel het uiterlijk als het innerlijk, dat de liefde gemeen heeft met de mystiek! (1)

 

Waarom ervaar ik deze toestand zo sterk in de IJhal van Wiel Arets, de uitbreiding aan de noordkant van Amsterdam CS? Op zich is de ervaring van de andere toestand niet moeilijk te bereiken. Iedere meditatie, ieder begin van contemplatie, al is het maar een beetje stil, maakt ons al daarvoor geschikt en in principe ieder kunstwerk is ertoe in staat haar bij ons op te roepen. Het gaat dus niet om iets unieks en eenmaligs. Het is een gevoel dat gemakkelijk ontstaat en ook gemakkelijk weer weggaat. En het komt bij mij altijd weer terug wanneer ik door de IJhal loop.

 

Eigenlijk heb ik er geen verklaring voor. Alhoewel, er is een ongebruikelijke tendens tot ingetogenheid en beeldloosheid in zijn werk. Voor mij is dit echter geen afdoende verklaring voor wat ik in zijn ruimten beleef. Maar de ervaring is opnieuw  in Musils roman verwoord wanneer Agathe Ulrich aan iets herinnert dat hij eerder tegen haar heeft gezegd: “Je ging zonder doel de stad in en had het gevoel alsof je erin werd opgelost, maar tegelijkertijd stond ze je tegen; en ik vertelde jou dat het mij dikwijls zo vergaat.” (2)

 

Ik zal het maar eerlijk zeggen. Net zoals Ulrich en Agathe het niet zo op hebben met Wenen, zo ben ik niet echt een liefhebber van de stad Amsterdam. Ik ervaar wrijving en schuring met deze stad. Maar dat ik toch – al is het maar even – in de IJhal de andere toestand ervaar en het gevoel heb dat ik in de stad oplos – dat is de verdienste van de architectuur van Wiel Arets.

 

Noten

 

1.

Robert Musil: De man zonder eigenschappen, vertaald door Ingeborg Lesener, Amsterdam 2005, 992-993. Het citaat luidt in het oorspronkelijke Duits: “So erzählte sie von dem eigentümlichen Zustand einer gesteigerten Empfänglichkeit und Empfindlichkeit, der ein Überquellen und Zurückquellen der Eindrücke bewirkt, woraus das Gefühl entsteht, wie in dem weichen Spiegel einer Wasserfläche mit allen Dingen verbunden zu sein und ohne Willen zu geben und zu empfangen; dieses wunderbare Gefühl der Entgrenzung und Grenzenlosigkeit des Äußeren wie des Inneren, das der Liebe und der Mystik gemeinsam ist!” Lesener vertaalt naar Robert Musil: Der Mann ohne Eigenschaften, bezorgd door Adolf Frisé, Reinbek bei Hamburg 1978, 764-765. Sinds 2016 verschijnt bij Jung & Jung Verlag in Salzburg de Musil Gesamtausgabe in 12 delen, bezorgd door Walter Fanta. Het gaat om een hybride uitgave. De boeken geven de leestekst. Parallel verschijnt de tekst van de uitgave maar nu met kritisch apparaat op internet: www.musilonline.at. Ons citaat staat in deel 3, 163.  Behalve door haar wetenschappelijke karakter is deze uitgave een aanwinst omdat zij prettiger leest en een groter lettertype heeft dan andere eerder verschenen Musiledities.

 

2.

T.a.p. 979. Het citaat luidt in het oorspronkelijke Duits: “Du bist ohne Ziel in die Stadt gegangen, und es war dir, als ob du in ihr aufgelöst würdest, aber zugleich hast du sie nicht mögen; und ich habe dir gesagt, daß es mir oft so ergeht.” (t.a.p. 754) Ons citaat staat in deel 3 van de editie van Walter Fanta, 145.

 

Over de auteur

 

Eric Bolle is filosoof en leraar Duits in het voortgezet onderwijs. Hij studeerde Duits en wijsbegeerte in Leiden en Amsterdam. Hij promoveerde in 1981 aan de Universiteit van Amsterdam met een proefschrift over Nietzsche. In 1992 verscheen zijn essay over Ernst Jünger en Mies van der Rohe: Architectuur en de wil tot macht. Hij publiceerde twee weblogs over de andere toestand bij Musil, één in samenwerking met zijn eindexamenleerlingen over de andere toestand in de roman Der Mann ohne Eigenschaften, en één over de andere toestand in Musils essays.

Advertenties