Nieuwe kansen voor de stad
Mini-lezing op de Dag van de Filosofie 2008 in Tilburg, herhaald op 28 juni 2010 bij Luycks Gallery in Tilburg.
In de poëzie van de Arabische dichter Adonis (1930) is de stad een vrouw. Wat als eerste opvalt is de sterke erotische lading die de stad voor de dichter heeft. De stad is een vrouw en een minnares. Spreken over de stad is hetzelfde als spreken over de liefde. Er zijn nogal wat gedichten die eenvoudig De stad heten.
“De stad
Ik sliep met de stad
Bij het begin van de takken, bij het begin van de wonden
Zij lag in mijn bed
Onrustig als een schip bij hoge zee
De versmelting laat het beven
En opent alle aderen …
Toen zij wakker werd, was het bed
Een stroom voor de liefde
En de versmelting
Was de geschiedenis van de geliefden
En haar borsten waren twee steden.” (1)
In het gedicht ondergaat de stad een metamorfose. Zij wordt achtereenvolgens minnares, schip, zee, rivier, borst en opnieuw stad. De stad is iets sensueels. Zij is vooral iets om van te houden en iets om mee te versmelten. De dichterlijke extase kan ons helpen niet alleen maar rationeel en argumentatief over de stad te denken. Poëzie kan ons inspireren het stadsdebat op een hoger plan te tillen en nieuwe drijfveren voor een stedelijke cultuur te ontwikkelen.
De stad is opnieuw belangrijk geworden omdat zij de plek is waar wij de ander ontmoeten. En dat geldt niet voor de regio, de provincie of de nationale staat. De stad is de plaats van politiek asiel. De stad is de plaats voor de alteriteit. De stad is de plek voor de culturele diversiteit. Culturele diversiteit is daarom vooral een aangelegenheid van de gemeentelijke politiek, van het gemeentelijke beleid. Dat er zo veel verschillende mensen op een beperkte ruimte bij elkaar moeten leven en met elkaar moeten omgaan confronteert de stedeling onophoudelijk met het bestaan van de ander en het andere, en stelt daarmee nieuwe ethische en bestuurlijke uitdagingen die zich vooral op sociaal en cultureel gebied voordoen.
Er ligt een unieke kans de stad een nieuwe historische rol te laten spelen: het redden van de wereld door de wending tot de ander en het andere (alteriteit). Alleen in de stad kom ik vreemdelingen tegen en word ik geconfronteerd met het onbekende. De stad wordt de nieuwe gemeenschap die voorbij de nationale staat de solidariteit onder de mensen concreet gestalte geeft. (2) Als de dingen zich blijven ontwikkelen zoals het er nu naar uit ziet zal het Nederlander zijn minder betekenis krijgen, is men bezig een thuis te bieden aan de mensen die nergens bij horen en ziet men de eigen omgeving haar vertrouwdheid verliezen.
Verscheidene filosofen wijdden hier hun gedachten aan. Ik ga kort in op Nancy, Sloterdijk en Agamben. De filosofie van Jean-Luc Nancy (1940) kan helpen globalisering beter te begrijpen. In zijn denken richt hij zich vooral op het begrip wereld. Volgens hem maakt het proces van de globalisering de grondeloosheid en de ongegrondheid van de wereld zichtbaar. Nancy vindt “dat deze wereld vanuit het niets opkomt, dat zij bestaat zonder vooraf gegeven plan en zonder model, zonder gegeven principe en doel, en dat juist hierin de rechtvaardigheid en de zin van een wereld gelegen is.” In het proces van de globalisering schemert volgens Nancy het inzicht door dat de wereld niet gegeven is en ons niet vanuit haar zelf of God haar zin aanbiedt, maar dat wij – omdat wij niets hebben om op terug te vallen behalve onszelf – de wereld zelf moeten scheppen en aan haar zelf zin moeten verlenen.
Deze opvatting vraagt om de herdefinitie van het begrip ‘wij’. Het nieuwe wij is niet een groep, een gemeenschap of een staat, is niet gebonden aan of verbonden door grond, maar een collectief van meervoudige enkelingen die bezig zijn zichzelf te ontdekken in een zijn dat niet langer wordt gerechtvaardigd door voorgegeven zingeving. Het feit dat men bestaat is zelf de zin van het bestaan en het gaat erom voor dat gegeven sensibiliteit en ontvankelijkheid te ontwikkelen. Filosofie, literatuur en beeldende kunst bieden mogelijkheden om nieuwe dingen te ontdekken en een eigen wereld te scheppen. (3)
De Duitse filosoof Peter Sloterdijk (1947) zet aan moderne naties te beschouwen als politieke asielen, en wel als asielen voor de inheemse bewoners, hoe paradox dat ook klinkt. Een asiel is een toevluchtsoord, een plek waar ontwortelde en bedreigde mensen bescherming vinden. Tegenwoordig zijn het niet alleen de buitenlandse vluchtelingen maar evenzeer de binnenlandse bewoners die zich bedreigd en potentieel ontworteld voelen. Er zijn alleen nog maar meerderheidsasielzoekers en minderheidsasielzoekers. Het traditionele onderscheid tussen autochtonen en allochtonen heeft geen betekenis meer.
“Men kan niet meer zeggen dat asielzoekersbeleid een binnenlandse aangelegenheid is te midden van andere overheidstaken. Asielzoekersbeleid is tegenwoordig de kern van de politiek als zodanig. Nationale asielen koesteren de noodzakelijke illusie van verankering, territoriale immuniteit en solidaire inbedding. Waar deze asielfunctie tekort schiet ontstaat het risico van geweld.” (4)
Wanneer er zo veel migranten zijn en wanneer door de aanwezigheid van zo veel vreemdelingen ook de oorspronkelijke bewoners hoe langer hoe meer ontworteld raken, wordt ballingschap een kernbegrip om over beleid na te denken. Ontworteling en ballingschap zijn niet alleen maar negatieve gebeurtenissen. De verlorenheid schept ook een band tussen mensen, en kan omdat zij een gedeeld lot vormt een herkenningspunt zijn waardoor mensen over bestaande grenzen heen elkaar kunnen begrijpen en herkennen. Verlorenheid bevrijdt de mens van verstarde maatschappelijke structuren en vormt de authentieke basis voor solidariteit.
De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben (1942) herinnert aan de antieke filosofie van de ballingschap omdat hij opnieuw over politiek wil nadenken, fundamentele inzichten in haar mechanismen wil blootleggen, en de filosofie een plaats wil geven in het debat over politiek en bestuur:
“Door ballingschap als de hoogste vorm van mens zijn te bestempelen laat de filosofie niet zien dat zij geen verstand heeft van politiek, maar eist de filosofie op paradoxale wijze het zoeken naar een geschikt toevluchtsoord op als de meest authentieke politieke toestand. Met een gewaagde omkering bestaat het ware politieke wezen van de mens niet langer uit het eenvoudigweg horen bij een gegeven gemeenschap, maar bestaat het veeleer uit dat verontrustende element dat Sophocles heeft gekenschetst als het tegelijk apolitieke en hyperpolitieke. Op deze wijze houdt het exil op een marginale politieke figuur te zijn maar wordt de ballingschap het dragende filosofisch-politieke paradigma, misschien wel het enige dat ons ertoe in staat stelt opnieuw de politiek van de westerse wereld te doordenken omdat het breekt met het vaste patroon van de dominante politieke traditie.” (5)
Agamben wijst er op dat in de antieke oudheid ballingschap niet zozeer een straf was als wel een middel om aan straf te ontkomen. Als veroordeelde misdadiger had je de keuze de straf te ondergaan of naar elders te vluchten. In het laatste geval wordt de regel toegepast door haar niet toe te passen. De wet kan zichzelf opschorten. De wet is dan de opschorting van de wet. Door elders zijn toevlucht te zoeken wordt de veroordeelde niet alleen buiten de wet gesteld maar wordt ook de wet toegepast doordat zij de veroordeelde aan zichzelf overlaat. Door dit mechanisme wordt de balling “de figuur van het leven in zijn onmiddellijke en oorspronkelijke betrekking tot de soevereine macht”. De balling en de soeverein staan dicht bij elkaar. Beiden staan buiten de wet, terwijl zij wel de wet toepassen of terwijl de wet wel op hen van toepassing is.
Door de nabijheid van ballingschap en soeverein leven kan de ballingschap metafoor bij uitstek worden voor de filosofie. Zoals de balling voelt de filosoof zich nergens thuis en zoekt hij toevlucht bij zichzelf. In de ogen van de filosofie verandert het exil van iets juridisch en openbaars in iets innerlijks en intiems. Voor veel filosofen is het aardse leven niet veel anders dan verdreven zijn uit het rijk van de geest, en is filosofie niet veel anders dan een manier om naar het innerlijke domein, het domein van het denken en de ideeën terug te keren. Ook voor Sophocles is de mens een vreemdeling op aarde, die juist op basis van dit vreemd zijn, zijn inzichten ontwikkelt en zijn eigen politiek ontwerpt. Het beroemde koorlied over de mens in Antigone ziet de mens als iemand die geen evenwichtige politiek kan bereiken omdat hij nu eenmaal tegelijk hyperpolitiek en apolitiek is ingesteld. De mens is altijd uit balans.
Omdat de mens altijd per definitie uit zijn evenwicht is, is beleid noodzakelijk. Omdat mensen altijd van elkaar verschillen kan dat beleid niet anders dan culturele diversiteit tot vertrekpunt nemen. Culturele diversiteit is het concrete gezicht van de menselijke waardigheid. (6) Dat de mens dwaalt, dat is wat alle mensen gemeenschappelijk hebben. Dwaling sticht gemeenschap, ballingschap is het fundament van de stad. Nieuwe kansen ontstaan wanneer men deze uitgangspunten tot grondslag neemt bij de ontwikkeling van nieuw beleid.
Noten
1.
Adonis: Ein Grab für New York, Gedichte 1965-1971, Zürich 2004, 81.
2.
Filip de Rynck e.a. (red.): De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden, Brussel 2003.
3.
Jean-Luc Nancy: La création du monde ou la mondialisation, Parijs 2002. Het eerste hoofdstuk uit dit boek verscheen in verkorte versie in Nederlandse vertaling onder de titel Urbi et orbi in het tijdschrift De Witte Raaf 98, juli-augustus 2002, 7-10. De geciteerde passage is het slot van het stuk, 10.
4.
Peter Sloterdijk & Hans-Jürgen Heinrichs: Die Sonne und der Tod. Dialogische Untersuchungen, Frankfurt a.M. 2001, 188.
5.
Giorgio Agamben: Politica dell’esilio, slot.
6.
UNESCO Universal Declaration on Cultural Diversity.
