“Die Welt ist fort, ich muss dich tragen.”

Celans poëzie gaat over de uitroeiing van de joden in de tweede wereldoorlog. In zijn gedichten probeert hij daarover iets te zeggen en de moord op zijn ouders te begrijpen. Dat is heel moeilijk. Adorno vond dat poëzie na Auschwitz onmogelijk is, en de Mitscherlichs publiceerden over de onwil van de Duitsers hun daden onder ogen te zien. Algemeen heerste het onvermogen om te rouwen. Celan zelf is het verlies niet te boven gekomen, maar zijn poëzie vindt de woorden wel. Zijn gedichten zijn daarmee één grote rouwplechtigheid. Gewoonlijk is rouwen een aangelegenheid voor het geloof, hier is het een zaak van de poëzie.

Derrida komt als vanzelf op de laatste regel van het gedicht Grosse, glühende Wölbung uit de bundel Atemwende te spreken wanneer hij een redevoering houdt ter nagedachtenis aan zijn vriend Gadamer. Derrida en Gadamer waren met elkaar en met Celan bevriend en hebben zich beide gewijd aan het filosofische onderzoek van Celans gedichten. Het verlies van een vriend betekent volgens Derrida het einde van de wereld van die vriend. Poëzie die gedenkt, is poëzie voorbij het einde van de wereld en gaat over de wereld na het einde van de wereld.

“Die Welt ist fort, ich muss dich tragen.” De regel gaat over het recht en de verantwoording die de poëzie aan ons aflegt maar ook van ons vraagt. Het gedicht is een zegen, ook al omdat het kan blijven spreken waar anderen de adem is benomen. Daarom wil Derrida wat langer bij deze regel van Celan stil staan ook al is hij zich ervan bewust dat voor ongeacht welke interpretatie van Celan het onbeslisbare in diens gedichten onbeslisbaar blijft.

Wie het aangesproken jij is blijft onduidelijk en ook het wereldverlies is niet zo definitief dat men niet eens meer weet dat de wereld verdwenen is. Ergens is het gedicht ook een spoor naar de wereld waarvan afscheid wordt genomen. Wel
duidelijk is dat het ik dat aan het woord is alleen is gelaten in de wereldverte en eenzaam dwaalt tussen de planeten. De wereld is niet langer vaste grond onder de voeten, betrouwbare bodem, rustend fundament. Radicaal eenzaam is er toch een jij of is dat jij het ik dat tegen zichzelf spreekt?

Bij zijn interpretatie legt Derrida het gewicht op het woord dragen. Dragen heeft bijvoorbeeld met zwangerschap te maken. Derrida wijst erop dat voor een zwangere vrouw de wereld naar de achtergrond wordt gedrukt. Maar men draagt ook rouw bij het verlies van een dierbare. Je draagt dan als het ware de dode en de herinneringen aan hem in jezelf. En het dragen gaat volgens Derrida aan het cogito vooraf. Nog voordat ik kan denken dat waaraan ik ook twijfel ik er niet aan kan twijfelen dat ik het ben die twijfelt – nog voor het cogito, sta ik al bij de ander en het andere in de schuld. Ik kan niet mijzelf zijn zonder verantwoordelijkheid voor de ander te nemen en jou te dragen.

Voordat ik ik ben, draag ik jou, draag ik de ander. Het gedicht documenteert deze verantwoordelijkheid in al haar draagwijdte, ook als de wereld weg is en er geen andere betrekking meer is dan het afscheid.

Jacques Derrida & Hans-Georg Gadamer: Der ununterbrochene Dialog, Frankfurt a.M. 2004.