Deconstructie van het vervulde ogenblik
Ger Groot heeft een bijzonder boek geschreven. Het is een collage van een aantal eerder gepubliceerde artikelen en columns. Soms lijkt het alsof hij van de hak op de tak springt, maar er zit toch een heldere lijn in het boek en een duidelijke boodschap. Groot is op zoek naar de evaring van het absolute. Hij probeert aan zijn dagelijkse beslommeringen en aan zijn bezorgdheid – vooral over zijn dochter Clara – te ontsnappen door iets mee te maken dat hem verbindt met zijn zijnsgrond.
Daartoe onderneemt hij drie pogingen, drie experimenten die hem moeten verenigen met datgene, waar het in zijn leven werkelijk om gaat. De eerste poging is zich door de hedendaagse kunst te laten aanspreken. Deze poging mislukt. De twee andere experimenten slagen wel. Het zijn het stierengevecht en de poëzie. Maar ook deze twee geslaagde proeven brengen geen duurzame vervulling. Zij zijn slechts tijdelijk van aard en door hun vluchtige karakter niet meer dan de gelukkigste illusies.
De hedendaagse kunst kenmerkt zich door machteloos effectbejag. Kunst is onaantrekkelijk geworden en gaat aan haar eigen commerciële successen te gronde. De werkelijkheid en de verslaglegging daarvan in de media brengt meer schokken voort dan wij kunnen verdragen. De media helpen ons, ons daarvoor af te sluiten door daar aan te wennen en eelt op de ziel te krijgen. De kunst zou in plaats van deze schokken te willen overtreffen, moeten helpen het vertrouwen in het leven te herstellen en ons tot het leven te verleiden. Zij blijft proberen ons te overdonderen.
Nu brengt natuurlijk ook onze tijd belangrijke kunstenaars voort. Maar die slagen er zelden in tot de kunstwereld en het museumpubliek door te dringen. De kunst zoals wij die uit de media en de musea kennen brengt in de ogen van Groot alleen maar een diepe teleurstelling. Zij slaagt er niet in hem metafysisch te raken of iets van ontologische betekenis voort te brengen. De schandalen en schandaaltjes met exorbitant hoge prijzen voor werken die proberen een wereld te choqueren die niet eens meer in slaap kan komen, roept alleen maar zijn misprijzen op.
Toch relativeert hij ook zijn oordeel. Misschien verwacht men sinds de Romantiek wel te veel van de kunst en heeft zij meer tijd nodig om te ontnuchteren voordat zij met een nieuw elan tegemoet kan komen aan onze verlangens naar harmonie en verzoening met het bestaan. In ieder geval is de hedendaagse kunst in de ogen van Groot een bron van maatschappelijk wantrouwen terwijl er vraag is naar meer vriendelijkheid en berusting in het lot.
Anders dan de contemporaine kunst brengen het stierengevecht en de poëzie wel de ervaring van het absolute waar Groot naar op zoek is. Over het stierengevecht schrijft hij opmerkelijke dingen. Nu ben ik gek op Spanje en op de Spaanse cultuur, maar ik zou nooit naar een stierengevecht gaan. Groot doet dat wel, en meer nog: hij heeft een cursus stierenvechten gevolgd en weet dus uit eigen ervaring waar hij het over heeft.
Het stierengevecht past niet bij onze mentaliteit die in de wereld hoogstens oplosbare problemen ziet en van het tragische conflict niets meer wil weten. Toch heeft het stierengevecht wel iets van het tragische omdat het meest indrukwekkende dat er is, de stier, het slachtoffer wordt en de dood vindt in en spektakel dat ons confronteert met alles, wat aan de dood onvermijdelijk en onoverwinnelijk is. In het stierengevecht zit niet alleen iets tragisch, maar ook iets moderns. De stier wordt door de torero getemd en opgevoed. Door de menselijke kennis wordt de natuur onderworpen en beheersbaar gemaakt.
Maar toch overweegt het tragische. Het plechtige ogenblik van de stilte voordat de matador toeslaat en de stier doodt, is het sublieme ogenblik dat buiten de tijd staat en ons een blik gunt in de afgrond van onze eigen eindigheid en sterfelijkheid. Een ervaring van het absolute, maar als tijdelijke ervaring van iets dat buiten de tijd staat is zij niet duurzaam maar een gelukkige illusie. Voor een kort en plechtig ogenblik zijn wij deelgenoot van de inbreuk van het absolute: een metafysische ervaring.
Naast het stierengevecht is er voor Groot nog een andere gelukkige illusie: de poëzie. In commentaren op gedichten van Borges en Celan werkt Groot het thema uit van het gedicht als gerichtheid op het noemen van namen. Het gedicht brengt in zijn gerichtheid op de naam, als is het maar voor even, het gevoel van vervulling voort. De tijd is vol, het ding volledig aanwezig omdat het bij de naam wordt genoemd en in het gedicht laat zien wat het is. Het gedicht brengt door het noemen van de naam van de dingen de wereld heel even in een vervuld ogenblik tot volledige tegenwoordigheid.
Maar ook dit is maar voor even. Het is geen blijvende ervaring maar een gelukkige illusie. Want ook de naam kan nooit een uniek ding áls een uniek ding of een unieke persoon áls een unieke persoon noemen. Taal herleidt per definitie het eenmalige tot iets algemeens: er is maar één woord boom voor al die verschillende bomen. Niet alleen Groots dochter heet Clara, er zijn nog veel meer meisjes die Clara heten.
Maar meer dan de taal van alledag slaagt de poëzie er in de eenmalige gebeurtenis van de unieke verschijning te benaderen. Er is echter wel iets voor nodig om poëzie te kunnen lezen en te kunnen genieten. De taal van alledag is noodzakelijk om te kunnen overleven en om eelt op de ziel te krijgen. Gewenning is levensnoodzaak. Alles steeds opnieuw willen beleven alsof het voor het eerst en eenmalig is, veronderstelt een kinderlijk vertrouwen in het woord van de dichter.
De meeste lezers zijn helemaal niet tot een onbevangen overgave aan de poëzie in staat. Wij leven in een tijd van academisch geschoolde lezers die wantrouwig tegenover teksten staan. Groot stemt in met Nietzsches wantrouwen jegens zo veel achterdocht en volgt zijn aansporing de illusie te wíllen en in te zetten op een verbeeldingskracht die ermee is opgehouden volgens vaste conventies te liegen zoals de taal van alledag, en die tegenwicht biedt aan de leegte die ons omringt door trouw te blijven aan de dingen en aan de herinnering aan de eerste keer.
Omdat die overgave altijd niet meer dan tijdelijk kan zijn is het denken nooit ongestoord gelukkig. Om verstaanbaar te kunnen zijn moet de poëtische taal haar zeggingskracht en haar gerichtheid op het eenmalige wel op een gegeven moment verliezen en is de betovering verbroken. Daarom heeft in Groots boek de melancholie het laatste woord: “Het geluk is er, maar het laat zich niet bestendigen.” (369)
Zo eindigt Groots deconstructie van het vervulde ogenblik. De ondertitel van zijn boek, Over kwaad en verlossing, komt eigenlijk niet uit de verf. Maar de betekenis van de titel, De gelukkigste illusies, wordt in een denken dat vooral is gebaseerd op Nietzsche en Derrida, overtuigend uiteengezet. Dit vlot geschreven en gemakkelijk toegankelijke boek wordt aanbevolen aan iedereen met belangstelling voor esthetica en cultuurfilosofie.
Ger Groot: De gelukkigste illusies. Over kwaad en verlossing, uitgeverij SUN, Amsterdam 2008, ISBN 978 90 8506 561 6. Prijs: 27.50.
Deze recensie verscheen oorspronkelijk in Streven, december 2008, 1022-1024.
